Willy Vanderzeypen

30/12/2007

De vloek van Jacques de Molay

Geplaatst onder: Proces tempeliers (1307-1314) — Willy Vanderzeypen @ 13:03

De vloek van Jacques de Molay

de laatste grootmeester van de historische tempeliers

Willy Vanderzeypen - december 2007

 

Alle veelbesproken figuren uit onze geschiedenis met een dramatische levensloop krijgen na verloop van tijd twee profielen, namelijk een historische en een mythische. Dat is ook het geval bij Jacques de Molay, de laatste grootmeester van de orde van de historische tempeliers (1120-1312). Vooral de periode tussen 1307, toen de tempeliers van Frankrijk werden gearresteerd op beschuldiging van ketterij, en 1314, toen Molay te Parijs werd verbrand, heeft veel inkt doen vloeien. In dit artikel proberen we aan de hand van middeleeuwse bronnen het historische profiel van Molay te bepalen om vervolgens een reconstructie uit te voeren van de laatste momenten van zijn leven. Want hoe zit dat nu met zijn fameuze vloek vanop de brandstapel die aanleiding heeft geven tot vele boeken en filmen over les rois maudits, waarbij we vooral denken aan het werk van Marcel Druon.

Het historische profiel leunt per definitie zo kort mogelijkheid aan bij de werkelijkheid. De nauwkeurigheid ervan blijft echter steeds afhankelijk van de betrouwbaarheid van de bronnen, en natuurlijk ook van de wetenschappelijke kwaliteit van de lezing en interpretatie daarvan. Daarom dienen de eerste conclusies steeds getoetst te worden met andere documenten en bevindingen uit andere wetenschappen. Het mythische profiel is het resultaat van een totaal ander proces, namelijk van fantasie, volksgeloof en romantische interpretaties. Tussen beide polen kunnen zeer veel varianten ontstaan.

Het historische profiel van Molay, dat is een eenvoudige man van lage Franse adel, geboren rond 1243/44 in het kasteel van Rahon, die in 1265 tempelier werd te Beaune. Hij werd naar het front in het Heilige Land gestuurd waar hij langzaam opklom in de hiërarchie van zijn orde, zonder dat daar duidelijke gegevens over bestaan. Drie jaar na de val van Akko (1291) en het definitieve verlies van het Heilige Land voor de christenen, werd Molay door het hoofdkapittel van zijn orde tot grootmeester verkozen als opvolger van Guillaume de Beaujeu. Voor vele tempeliers was zijn verkiezing een verrassing. Molay was op dat ogenblik niet in Palestina en zijn tegenkandidaat had naar het schijnt betere militaire geloofsbrieven, maar moest om ongekende redenen het onderspit delven. Waarschijnlijk kreeg Molay steun omdat hij beloofde de orde te hervormen. Molay bleef geloven in een christelijke herovering van Palestina en was de bezieler van een actie in 1303 om voor de kust een eiland op de moslims te heroveren dat hij wilde gebruiken als uitvalsbasis voor verdere operaties. Het werd echter een compleet fiasco omdat men niet over voldoende vlootdekking beschikte. Molay bleef echter verder werken aan het opzetten van een nieuwe kruistocht en rivaliseerde daarmee met de Franse koning die gelijkaardige plannen koesterde. De tempelorde kwam ondertussen steeds meer in opspraak. In 1307 werd Molay in de hoofdcommanderij te Parijs door koninklijke officieren en zonder medeweten van de paus gearresteerd op beschuldiging van ketterij. Een lang proces volgde. In 1312 werd de orde door paus Clemens V opgeheven. In 1314 werd Molay op bevel van de Franse koning terechtgesteld. In de hieronder bijgevoegde chronologie staan meer details.

De mythische Molay, dat is een sterke leidersfiguur, een idealist die het onrechtvaardige slachtoffer werd van de machtsstrijd tussen de paus en de Franse koning, en die zijn kwelduivels vanop de brandstapel vervloekte. Dit beeld is het resultaat van mondelinge overleveringen en dubieuze documenten. Het werd later herbruikt door de romantische geschiedschrijving en de enthousiaste literatuur van de 19de eeuw. Hun fantasierijke interpretatie versterkte de mythe. Esoterische bewegingen gingen daarin nog verder en bedachten in de 20ste eeuw absurde bouwsels rond de tempeliers en hun laatste grootmeester. Bij dat eeuwenlang proces van mythevorming heeft de fantasie een grote vrijheid gekregen, waardoor het mythische profiel ver verwijderd staat van het historische. Meer nog, ze vertonen tegenstrijdige eigenschappen.

Dikwijls is de mythe rond dergelijke personages zeer bewust en met een bepaald doel voor ogen opgebouwd. Vijandige gevoelens van de auteurs tegen het Franse koningshuis of tegen de paus hebben het mythische profiel van Molay uitermate gekleurd. De auteurs benadrukken het onrechtvaardige en wrede gedrag van koning Filips de Schone of het verraad van paus Clemens V, en dus ook van de kerk. In deze propagandistische optiek wordt Molay dan een bewonderenswaardige christelijke prins die onrechtvaardig werd behandeld, wreed werd gemarteld en onterecht werd geëxecuteerd.

Vervolgde en geëxecuteerde personages lenen zich bij uitstek tot dergelijke propaganda door de dramatische spankracht van hun levensverloop. Denken we daarbij aan de evangelische Jezus, de christelijke martelaar-heiligen, de katharen en waldenzen, Jeanne d’Arc, en ja, zelfs Jacques de Molay, die door sommige auteurs helemaal in de rol van een heilige martelaar wordt geschreven.

Al die eeuwen van mythevorming maken het de historicus natuurlijk moeilijk om de dikke fantasielagen te verwijderen op zoek naar het ware gelaat van het door hem bestudeerde personage. Bovendien is de onderzoeker zelf een kind van zijn tijd en zal hij niet kunnen ontsnappen aan bepaalde eigentijdse tendenzen. Het heeft te maken met de interferentie tussen de onderzoeker en het onderzochte, zo eigen aan geschiedschrijving.

Toch is dat onderscheid tussen het historische en mythische profiel noodzakelijk, ook bij Jacques de Molay, want anders praten we niet over hetzelfde. We lopen dan een grote kans om ons te verliezen in een oneindige en onoplosbare polemiek tussen twee onverenigbare profielpolen. Alhoewel wijzelf in onze werken de piste van een wetenschappelijke geschiedschrijving hebben gekozen, betekent dat niet automatisch dat we de romantische of esoterische varianten hekelen. Integendeel, we hebben daar respect en bewondering voor want ze maken wezenlijk deel uit van ons historisch-cultureel patrimonium. Ze zijn bovendien de niet-wetenschappelijke voorlopers van de moderne geschiedschrijving en kunnen elementen bevatten die waardevol zijn. Aan de historicus om open te staan voor dialoog en vervolgens om nauwlettend te ziften, aan de rand van een grote informatiestroom, waarbij hij de goudkorrels niet met het spoelwater mag weggooien.

De historische Molay uit de documenten

Wat gebeurde er met de grootmeester van de historische tempeliers in de periode van ongeveer 1305 tot 1314 ? De meeste informatie daarover is nog steeds gebaseerd op mythevormende bronnen, en dat is normaal, want daarover bestaat veel meer literatuur. Bovendien is de historisch-wetenschappelijke methodologie nog vrij jong en leent zich minder tot commercialisatie in onze eerder sensatiegerichte cultuur. De eigentijdse bronnen over het proces zijn dan nog eens erg verspreid wat het onderzoek bemoeilijkt. Mythes zijn bovendien hardnekkig want volksgeloof heeft steeds een onverklaarbare vorm van eigen gezag.

Het eerste document waarop wij ons in deze studie baseren, is een lange brief van Molay, die hij richtte aan de paus en die hij schreef terwijl hij nog in Cyprus was. De pauselijke zetel was de enige overheid waar Molay als grootmeester van de tempeliers constitutioneel rekenschap aan diende te geven, sinds het pauselijk decreet van 1139, dat nooit werd veranderd. Wereldlijke prinsen hadden geen enkele inspraak in de orde, hetgeen de Franse koning Filips de Schone met zijn centraliserende politiek zonder twijfel frustreerde.

In deze brief wijst Molay het fusievoorstel af tussen de orde van de tempeliers en de orde van de hospitaalridders, eveneens een belangrijke militaire orde die gesticht werd in het Heilige Land. Dit fusieconcept leefde al langere tijd in het westen, zeker binnen de kringen van de koninklijke partij van Frankrijk, waar de tempelorde de meeste van haar commanderijen bezat. Maar ook buiten Frankrijk kreeg deze visie steun, zelfs van grote intellectuelen zoals de Catalaanse geleerden Arnau Vilanova (1238-1311) of Ramon Llull (1235-1315). In 1301 stelde Gilles van Rome dat de tempeliers moesten verdwijnen. Deze leerling van Thomas van Aquino was vanaf 1278 de opvoeder van … Filips de Schone.

Na een kritische lezing van dat fameuze memorandum van Molay aan de paus, en rekening houdend met de context waarin hij gescheven werd, kan men verrast zijn over zijn weinig gestructureerde verdediging in een nochtans belangrijke zaak : het voortbestaan van de tempeliers als onafhankelijke orde. Met weinig overtuigende argumenten wijst Molay de fusie af. Hij vergeet daarbij het belangrijkste militaire argument te melden, namelijk de nog steeds actieve deelname van de tempeliers aan de verovering van het Spaanse schiereiland op de moren.

Toch was Molay zeer goed op de hoogte van de zware kritiek uit alle lagen van de westerse bevolking op zijn orde, die nog toenam na het verlies van het Heilige Land in 1291, waardoor haar bestaansreden in het gedrang was gekomen. De paus had hem daarvan persoonlijk verwittigd. Molay onderschatte echter de dreiging en hield geen rekening met de werkkracht en gedrevenheid van de koninklijke legisten. Hij legde tot op het laatste moment al zijn vertrouwen in de pauselijke macht en in de onaantastbaarheid van zijn religieuze orde. Hij besefte blijkbaar niet dat die pauselijke macht tanende was na het verdwijnen van Bonifatius VIII in het begin van de veertiende eeuw en dat de koninklijke monarchie als tegenpool steeds krachtiger werd. De gangbare mening bij alle tempeliers was er één van onaantastbaarheid, ook bij de leiding. Niemand kon hen wat doen, tenminste dat dachten ze.

Men zou zelfs kunnen zeggen dat de fusieweigering van Molay bijgedragen heeft tot de vernietiging van zijn orde. Filips de Schone droomde immers van een superorde, resulterend uit een volledige fusie van de tempel en het hospitaal, en onder de leiding van zijn oudste zoon waarmee hijzelf op kruistocht wilde gaan, een idee dat door Ramon Llull vurig werd verdedigd. Molay’s weigering dwarsboomde die belangrijke wens van Filips. Maar nog andere beslissingen van Molay hadden de Franse koning woedend gemaakt. Zo verjoeg Molay de schatbewaarder van de tempel van Parijs omdat deze een grote lening aan Filips had toegestaan zonder hierover voordien zijn grootmeester te hebben geraadpleegd.

Het tweede document is het procesverbaal van Molay’s eerste verklaring voor de Inquisitie na diens arrestatie te Parijs. Zoals alle tempeliers in de gebieden van Filips de Schone werd hij op 13 oktober 1307 gearresteerd door de mannen van de koning op beschuldiging van ketterij. Dit gebeurde zonder het medeweten van de paus die daar eerst heftig tegen protesteerde maar later zijn instemming gaf. Net zoals alle andere functionarissen die te Parijs waren opgesloten, ging Molay snel tot bekentenissen over, en dat veroorzaakte een groot schandaal bij het volk. Een dag na zijn eerste ondervraging herhaalde Molay zijn bekentenissen voor de universiteit van Parijs. Hij was blijkbaar volledig ontredderd want men kreeg zelfs van hem gedaan om een brief naar de gevangen Franse tempeliers te zenden waarin hij deze adviseerde om eveneens te bekennen. Dat Molay twee maanden later in het bijzijn van kardinalen zijn bekentenissen introk, werd amper opgemerkt.

Een derde document dateert van twee jaar later. Het is de eerste verklaring van Molay voor de pauselijke onderzoekscommissie van Parijs die hij aflegde op 26 november 1309. Clemens V had ondertussen met enig succes de zaak van de tempeliers terug in kerkelijke handen gebracht. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de fantasieloze notarissen tijdens het noteren van de ondervraging de observaties van de gemoedstoestand van Molay zouden verzinnen. Hun gebruikte woorden in het procesverbaal lijken duidelijk de gesteldheid van de grootmeester op dat moment weer te geven. Op de vraag van de commissarissen of Molay zijn orde wilde verdedigen antwoordde hij ontwijkend : …dat zijn orde bekrachtigd en bevoorrecht was door de apostolische zetel en dat hij zich verbaasde over het feit dat de Romeinse kerk plots zou willen overgaan tot de vernietiging van die orde… dat hijzelf niet voldoende geleerd was om de orde eigenmachtig te kunnen verdedigen… omdat hij niets had, zelfs geen vier deniers, om uit te geven voor de verdediging … hij vroeg eveneens om hulp en raad .

De commissarisen waren blijkbaar welwillend en gaven Molay uitstel. Ze lieten hem met zorg en vertaald in het Frans de apostolische stukken lezen. Daaruit zou men kunnen opmaken dat de grootmeester geen Latijn kon lezen. Hij lijkt dat later in een andere verklaring te bevestigen wanneer hij zegt ongeletterd te zijn, hetgeen in die tijd uitsluitend betekende dat men het Latijn niet beheerste. Tijdens de lezing…bekruiste de meester zich tweemaal voor zijn eigen gezicht. Hij maakte nog andere tekens en deed alsof hij inderdaad stomverbaasd was over de inhoud van de bekentenissen en de apostolische brieven. Molay vroeg tevens wanhopig om steun bij Plaisians, nochtans een koninklijke legist en voor Molay de advokaat van de duivel, maar in zijn wanhoop zijn enige toevlucht, louter en alleen omdat de man net zoals hijzelf een ridder was.

We denken niet dat bovenstaande observaties de bedoeling hebben om Molay te kleineren. De vaststellingen komen immers overeen met zijn historische profiel. Molay was een beroepssoldaat, die vrij jong was gaan vechten in het Heilige Land en nooit een klassieke vorming tot geletterde had gekregen. Het is dus normaal dat hij het Latijn niet of slecht beheerste. Bovendien was de grootmeester steeds gewend geweest geld te gebruiken om moeilijkere intellectuele taken te laten verrichten, of hij liet dat doen door assistenten van zijn orde. Hij had bijvoorbeeld de goede raad gekregen om naar Europa te komen met een klein gevolg en met een zekere discretie gezien de opspraak, maar deed net het tegenovergestelde en had een fortuin bij zich om een en ander te regelen. Het kwam alleszins hoogmoedig over. Maar vermits het fortuin van de tempeliers was aangeslagen tijdens de arrestatie, beschikte Molay gedurende het daaropvolgende proces niet langer over die bijna onuitputtelijke middelen, wat hij letterlijk in zijn verklaring zegt. Molay geloofde blijkbaar niet alleen in de onaantastbaarheid van zijn orde maar eveneens in de macht van het geld. Na de arrestatie waren deze twee pijlers van zijn wereldbeeld echter weggeslagen. Het kan een verklaring zijn voor zijn ontreddering.

Deze eerste observaties over de houding van Molay worden bevestigd in zijn tweede verklaring voor dezelfde commissie van 28 november 1309 met de woorden dat hij een ongeletterd en arme ridder was… Uitdrukkelijk gevraagd of hij op dat ogenblik de orde wilde verdedigen antwoordt hij ‘neen’. Hij zou dat doen in aanwezigheid van de heer paus… en wat verder staat nog eens het woord stomverbaasd. De enkele argumenten die Molay tijdens die ondervraging ter verdediging van zijn orde tracht te ontwikkelen, zijn van weinig waarde in het dossier : we hebben mooie kerken, we geven aalmoezen… Molay zit bij dit alles vast in zijn militair hiërarchisch wereldbeeld waarin zijn enige baas de paus is. Die besliste en niet hij. Molay kon de hoge verantwoordelijkheid eenvoudigweg niet aan. De gebeurtenissen hadden zijn bevattingsvermogen compleet overrompeld.

Toch dienen we een en ander te relativeren en de woorden van Molay te confronteren met andere documenten uit die tijd en opgesteld in dezelfde context. Zo zien we Ramon Saguardia, een Catalaanse hoogwaardigheidsbekleder van de tempelorde, tijdens de ondervragingen eveneens het accent leggen op de liefdadigheid en het geven van dagelijkse aalmoezen. Het heeft te maken met de ‘economie van het heil’, een maatschappelijk gegeven dat werd gepromoot door de kerk en waarbij het geven van aalmoezen een essentiëel onderdeel vormde.

De derde verklaring van Molay is zo mogelijk nog korter. Hij is nu volledig dichtgeklapt en zet al zijn hoop op zijn overste, de paus, en zijn gebed aan God : …Hij smeekte de commissarissen om hem te ontslaan van die verplichting totdat hij zich bij de heer paus kon presenteren. Daarmee zette Molay zichzelf volledig buiten spel, en inderdaad, we horen dan ook lange tijd niets meer van hem. Toch zou de orde in staat zijn om zich zonder hun hoogste leiding te verdedigen, wat we zien gebeuren in april 1310. Met dit initiatief had Molay niets te maken.

De laatste dagen van de historische Molay

En dan de finale dagen te Parijs in de late winter van 1313-1314, nadat tijdens het concilie van Vienne (1312) paus Clemens V de orde van de tempeliers uit eigen pauselijke macht en zonder veroordeling had opgeheven. Dit was een gekunstelde maar canoniek toegelaten oplossing voor een delicaat probleem. Een groot gedeelte van de concilievaders wenste immers een echt proces van de tempeliers, waarbij Clemens echter vreesde dat het dossier van de koninklijke legisten snel zou afbrokkelen en Filips de Schone zijn zin niet zou krijgen. Clemens stond daarbij onder grote druk vanuit Parijs. Filips was zelfs met een leger naar Vienne afgezakt.

De paus ging dus over tot een noodprocedure en schakelde de inspraak van het concilie uit. Na zijn uitspraak van opheffing reserveerde hij zich het recht om later over het lot van de vier opgesloten waardigheidsbekleders te oordelen, hetgeen in feite niet nodig was. Samen met Jacques de Molay waren dat volgende drie mannen : Hugues de Pairaud (visiteur van Frankrijk), Geoffroy de Gonneville (precepteur van Aquitanië en Poitou) en Geoffroy de Charnay (precepteur van Normandië).

Sinds deze tempeliers in 1308 in hun gevangenis te Chinon met enkele kardinalen hadden gesproken, en dat in het bijzijn van de koninklijke legisten, hadden zij nooit meer hun bekentenissen ingetrokken. Ze deden dat later ook niet voor de pauselijke commissie, die ingesteld werd door de paus om de schuld van de orde te onderzoeken. Deze commissie beloofde de betichten nochtans een vorm van bescherming, ook al was de validiteit van die belofte uiterst dubieus.

De kardinalen hadden de vier mannen te Chinon de absolutie gegeven en zij mochten tot hun grote opluchting terug deelnemen aan de katholieke sacramenten. Belangrijk, want laat ons niet vergeten dat een tempelier eerst een religieus was en dan pas een ridder. Dit dubbel en zeer gespannen statuut werd vanaf het begin van hun stichting zwaar gecontesteerd. Zelf hadden de eerste tempeliers daarover eveneens ernstige twijfels gehad totdat enkele gewichtige geleerden zoals Willem van Champeaux en Bernardus van Clairvaux hun zaak theologisch rechtvaardigden.

Door de uitspraak van paus Clemens te Vienne behoorden de beschuldigden volgens het canonieke recht tot de categorie van zij die absolutie hadden gekregen, en die zich dus hadden verzoend met de roomse rechtgelovigheid. Een bul van 6 mei 1312 (Considerantes Dudum) bepaalde nadrukkelijk dat dergelijke tempeliers slechts lichte straffen mochten krijgen en recht hadden op een pensioen. In vele gevallen werd dit ook zo uitgevoerd. Daaruit volgde dat een pauselijk oordeel van Molay en zijn drie kompanen in feite niet langer hoefde. Maar misschien vond Clemens hun verantwoordelijkheid groter dan die van de eenvoudige tempelbroeders, die leefden en werkten in de commanderijen van het Westen om de peperdure militaire operaties van de orde te financieren. Of misschien wilde de paus tegemoet komen aan koning Filips, die vreesde dat de leiders in gebieden buiten zijn controle de tempel zouden heroprichten indien ze werden vrijgelaten. Dat laatste was echter een onzinnig argument, aangebracht door de koninklijke legisten. Vijf jaar na de arrestatie was de orde overal volledig ontmanteld en had geen middelen meer om de geldverslindende operaties te financieren. Bovendien zouden zich geen recruten meer aandienen want niemand durfde na de arrestatie van 1307, het schandaal en de executies nog in te treden.

De vier tempeliers hadden al die jaren in stilte doorgebracht, een stilte die zonder twijfel de vernietiging van de tempel door de koning heeft vergemakkelijkt. Wanneer we zien dat de verdediging van enkele geletterde broeders te Parijs in april 1310 de zaak vrij snel in hun voordeel deed uitslaan, waarbij de legisten compleet werden verrast, dan had het spreken van de leiders waarschijnlijk minstens evenveel effect gehad. Bij dat alles betoonde Molay een blind en naïef vertrouwen in zijn paus. Dat komt zeer goed tot uiting in al zijn verklaringen. Niet alleen zijn fusieweigering, maar ook zijn zwijgen tijdens het volledige procesverloop, heeft bijgedragen tot de teloorgang van de orde. Het moet gezegd worden dat ook Foulques van Villaret, de grootmeester van het hospitaal, tegen de fusie was, maar hij bleef daarbij minder drastisch in zijn conclusies dan Molay.

We moeten echter voorzichtig zijn want dit zwijgen is ook een direct gevolg van de eigenheid van de middeleeuwse rechtspraak, die voor de moderne mens moeilijk te begrijpen valt. Een bekentenis afleggen betekende automatisch dat men schuldig was, op welke manier de verklaring ook werd afgedwongen. Daarbij werd tortuur aanvaard sinds de legalisatie daarvan door de kerk in 1252, tijdens haar bestrijding van de kathaarse ketterij in Zuid-Frankrijk en Italië. Wie in een latere fase zijn bekentenis herriep, bleef in de logica van de Inquisitie nog steeds schuldig, en stelde zich bovendien bloot aan een snelle doodstraf omwille van het wederafvallig zijn. Misschien is dit wel de echte reden van het stilzwijgen van Molay en zijn drie genoten want er waren inderdaad precedenten genoeg. Van die basiseigenschap van de middeleeuwse rechtspraak maakten de legisten van de koning dankbaar gebruik om tempelbroeders die hun bekentenis herriepen -en zo waren er rond 1310 veel- snel op de brandstapel te zetten. Zo maakte het koninklijke kamp de verdediging van de orde op korte tijd monddood. De leiders van de tempel wisten dit en begrepen waarschijnlijk dat een herroeping van de eerste bekentenissen totaal geen zin meer had of dat zij daarmee hun leven in gevaar brachten.

Bovendien was niet de angst voor de dood maar de vrees voor het vuur zeer groot bij de tempeliers wat we merken uit verklaringen van andere tempeliers. Die vrees was niet alleen gebaseerd op de gruwel van de executie zelf, maar meer nog op het katholieke geloof dat men niet zou verrijzen bij het Laatste Oordeel wanneer zijn stoffelijke resten volledig vernietigd waren. De openbare brandstapels van levenden, of zelfs opgegraven doden, hadden een afschrikwekkende functie als een teken van de eeuwige verdoemens van de veroordeelde, met afschuw voor een zo verwerpelijke misdaad.

Het moet bovendien gezegd worden dat paus Clemens Molay niet meer wilde horen of zien, misschien wel om geen gewetenswroeging te krijgen over zijn door de koning afgedwongen beslissing te Vienne, waarvan hijzelf meerdere keren zei dat het tegen zijn wil was. Nimmer heeft Clemens gelooft in de schuld van de tempeliers. De paus was tevens op dat moment doodziek. Op 22 december 1313 benoemde hij een commissie van drie zeer koningsgezinde kardinalen om de vervelende zaak van de overgebleven hoogwaardigheidsbekleders af te handelen.

Deze kardinalen begaven zich naar Parijs waar ze de vier gevangenen bezochten. Zonder de minste reserve, en in de logica van het voorgaande, herhaalden de tempeliers hun eerder afgelegde bekentenissen. De kardinalen eisten dat ze de volgende dag hetzelfde zouden doen voor het volk van Parijs waarna ze het oordeel van de paus zouden bekend maken. Op dat ogenblik was Jacques de Molay er nog steeds van overtuigd om er met een lichte straf van af te komen omdat hij absolutie had gekregen. Hij bleef de kardinalen vertrouwen. Waren zij ook geen religieuzen zoals hijzelf ? Had hij niet de rang van een prins van de Kerk ? Waren niet meerdere tempelbroeders er met lichte straffen van afgekomen ? De vroegere leiders van de opgeheven orde kozen voor het eigen leven en niet voor de dode tempel.

Een podium werd opgericht op het kerkplein van Notre-Dame. De kardinalen waren er zeker van dat de houding van Molay niet zou veranderen. Maandag 18 maart 1314 was het zover. Voor een talrijk opgekomen publiek herhaalden Molay en zijn ongelukkige kompanen braaf hun lesje. Ze waren waarschijnlijk opgelucht dat de miserie bijna voorbij was.

Dan de schok: ze werden alle vier veroordeeld tot eeuwige gevangenisstraf. Molay kon zijn oren niet geloven en had enkele momenten nodig om de waarheid tot hem te laten doordringen. Geen lichte straf zoals zij hadden verwacht, maar tot hun dood rotten in de boeien. Molay voelde zich op dat ogenblik verraden door de paus in wie hij bijna zeven jaar lang al zijn vertrouwen had gesteld en besefte wellicht voor het eerst dat hij zich volkomen had vergist. Zonder toelating begon hij te protesteren dat de beschuldigingen tegen de tempel vals waren en dat hijzelf een miserabele grootmeester was geweest omwille van zijn houding tijdens de voorbije jaren. Een soldaat legde een hand op zijn mond maar naast hem zette Geoffroy de Charnay het protest verder. Beide mannen hadden na de uitspraak niets meer te verliezen. Voor ridders zoals zij was een levenslange gevangenisstraf veel erger dan een snelle dood. De twee andere tempeliers naast hen bleven echter zwijgen.

De kardinalen hadden deze wending niet voorzien. Het volk, dat reeds lang begreep hoe de vork in de steel zat, begon zich te roeren. De kardinalen vreesden een volksoproer en bevalen de provoost om de gevangenen snel weg te brengen. Zelf lieten ze de achterkant van hun dure gewaden zien en verdwenen in de kathedraal.

De provoost nam de tempeliers mee naar een zijkapel van Notre-Dame en hoopte dat het volk zich bij gebrek aan show zou verspreiden. De kardinalen besloten ondertussen tijdens een spoedvergadering de zaak even te laten bekoelen en de volgende dag te heropenen. Koning Filips werd snel op de hoogte gebracht van het incident. Woedend overlegde hij met enkele van zijn raadsleden en besloot de twee tempeliers die geprotesteerd hadden, onmiddellijk te laten verbranden als wederafvallig. Zo overtrad de koning eens te meer het canonieke recht van de paus, maar was daarmee niet aan zijn proefstuk toe.

Een brandstapel werd zonder verwijl opgericht op het kleine Jodeneilandje in de Seine, gelegen voor het grote eiland met daarop het koninklijk paleis van de Cité. In de loop van de avond werden Jacques de Molay en Geoffroy de Charnay naar dat eilandje gebracht. Over de twee anderen die gezwegen hadden, heeft men nooit meer iets gehoord.

Een ooggetuige van de terechtstelling was Geoffroy of Godefroy van Paris, een klerk van de koning. Zijn getuigenis is uit eerste hand en wellicht vrij betrouwbaar, zeker in vergelijking met de verhalen van anderen die er niet bij waren. Godefroy heeft dit verslag ingelast in zijn metrische kroniek, opgedragen aan Filips de Schone : Chronique métrique de Philippe le Bel. Het manuscript werd voor het eerst gepubliceerd door J.A. Buchon in 1826. Hij had het onder n° 6812 gevonden in de Koninklijke Bibliotheek. Het verslag van de terechtstelling begint daarin vanaf vers 6063.

Zwijgend ging Molay naar de brandstapel en kleedde zich uit tot op zijn onderhemd. Hij had een sereen gelaat en aanvaardde zijn lot, dat in feite een oud ideaal was van de tempeliers : sterven als een martelaar voor Christus. En dit is wat Molay, vastgebonden aan de paal van de brandstapel volgens Godefroy zei : Seigneurs, laat me tenminste de mogelijkheid om mijn handen te vouwen en een Onze Vader tot God richten, want daar is het hoog tijd voor. Ik zie hier mijn terechtstelling en sterven lijkt me werkelijk gepast. God weet dat ik ongelijk had en gezondigd heb en zal zich binnen korte tijd vergoeden, zoals bij al degenen die ten onrechte oordelen. God zal onze dood wreken. Seigneurs, weet dat al degenen die ons hebben tegengewerkt, door ons te hebben laten lijden, zonder land zullen vallen. In dat geloof wil ik sterven. Ziehier mijn geloof en ik smeek u om mijn gelaat naar de Maagd Maria te keren, waaruit onze Heer Christus is geboren.

Een en ander is natuurlijk door de auteur aangepast om de tekst te laten rijmen en aan de metrische regel te beantwoorden. Maar de woorden komen goed overeen met wat Molay de dag voordien reeds had gezegd : « Ik ben het waard om te sterven en ben klaar om het te verdragen omdat ik bekentenissen heb afgelegd uit angst voor de martelingen. » Zowel als geestelijke, die zijn heilige orde en de regel had verraden, en als ridder, die meineed had gepleegd, was dit onvergevelijk voor een tempelier.

Molay zei toen : « uit angst voor de martelingen » en niet omwille van de ondergane pijn of verdere martelingen. Deze zin doet ons voorzichtig besluiten dat de oude man nooit werd gemarteld. Dat is ook logisch. Het gevaar was immers te groot dat hij een dergelijke behandeling niet zou hebben overleefd. De legisten wilden in die beginfase van het proces zeker geen martelaar van Molay maken. Ze waren zelfs opgetogen dat de leider dermate slecht zijn orde verdedigde en dat zijn tegenstrijdige adviezen zijn medebroeders verwarden. De mannen van de koning hadden er dus alle belang bij dat de grootmeester zou blijven leven tot de orde door de paus was opgeheven en zullen geen risico hebben willen lopen door de oude man te laten martelen.

De vraag van Molay of men zijn handen zo wilde vastbinden dat hij nog kon bidden en dat hij zijn gezicht naar Notre-Dame kon wenden, is normaal. De tempeliers hadden immers een hoge verering voor de Maagd. Geoffroy de Charnay vertoonde identiek hetzelfde gedrag als Molay tijdens deze laatste momenten van hun aards leven.

De vloek van Molay

In dit verslag zegt Geoffroy de Paris niet echt iets over een vloek, maar het kan altijd zijn dat de koninklijke klerk dat liever niet neerschreef om zijn broodheer de koning niet te ontgrieven. Toch geeft deze klerk ons de indruk een vrij waarheidsgetrouwe beschrijving van de feiten te willen geven. Hij lijkt de vijandigheid tegen de tempeliers niet te delen. Een andere getuige zegt dat hij Molay wel iets heeft horen roepen terwijl de vlammen begonnen op te laaien, maar ook dat lijkt niet echt op een vloek : « De lichamen zijn van de koning van Frankrijk, maar de zielen zijn van God. »

De zogezegde vervloeking klopt ook niet met het psychologische profiel van Molay in het algemeen en zijn ingesteldheid van dat laatste moment. Wie sereen zijn executie aanvaardt en wil bidden, denkt niet aan vervloeken. Molay vond op dat ogenblik zijn straf gerechtvaardigd.

De omstandigheden waren er ook niet naar om die vloek zo maar te kunnen horen. De brandstapels stonden immers op een klein eiland in het midden van een gezwollen en brede Seine, want het was winter. De afstand tussen de brandstapels en het volk op de oevers was vrij groot. Het Ile de la Cité was wel dichterbij maar daar stond het koninklijk paleis tot aan de rand van het water, wat we kunnen zien op oude stadsplannen en schetsen. Er was daar dus geen plaats voor het volk dat bovendien zou weggejaagd worden door de koninklijke soldaten. Wie van het volk zou die vloek boven het lawaai van de rivier en de vlammen en vanop die afstand nog hebben kunnen horen ? Dat Godefroy van Parijs de laatste woorden van Molay wel heeft kunnen horen, is zeker niet onmogelijk want als klerk stond hij naast de koning en dus dichterbij de brandstapels dan het volk op de oevers.

Misschien kon men vanop de oever tijdens die laatste seconden de mond van Molay hebben zien bewegen, waarschijnlijk door een gebed of de hitte, en heeft de fantasie van het zeer bijgelovige middeleeuwse volk daarin de verwoording van een vervloeking willen zien. De hitte van de vlammen kan inderdaad vreemde dingen doen met een zieltogend of reeds dode lichaam.

Het is waar, de zogezegde vervloekten, namelijk de paus en de koning, verdwenen vrij snel na de executie en dat heeft de mythe een terugkoppelende vorm van ‘waarheid’ gegeven. De mythe van de vloek is wellicht dan pas ontstaan als een bijgelovige verklaring voor het snelle verdwijnen van de hoofdfiguren. Paus Clemens stierf op 20 april 1314, maar zo onverwacht was dat niet want de man was reeds jarenlang doodziek aan de maag en ingewanden, had kanker en stierf hoogstwaarschijnlijk een natuurlijke dood. Filips blesseerde zich tijdens een jachtongeval te Pont-Saint-Maxence en stierf aan gangreen op 29 november 1314. Sommige kroniekschrijvers hebben het over een hartaanval met een hersenverlamming tot gevolg.

En toch leidt de vloek van Jacques de Molay een hardnekkig leven, zoals alle mythen en volkslegendes. Die krijgen nieuw leven ingeblazen indien romantische geschiedschrijvers ze als waar gaan vertellen. Zelfs Jules Michelet, een geleerde medievist uit de 19de eeuw, ontsnapte daar niet aan toen hij in zijn Histoire de France schreef : « Jacques de Molay had hen, zegt men, gedagvaard om binnen het jaar voor God te verschijnen. » Toch dekte deze wijze man zich in door nadrukkelijk ‘zegt men‘ te gebruiken. Maar anderen na hem, gewild of door onoplettendheid, begonnen dit ‘zegt men’ niet langer te gebruiken.

Maurice Druon en de vervloekte koningen

Zelfs in Frankrijk kende men tot in 1955 weinig over de periode van de laatste rechtstreekse Capetingers in het begin van de 14de eeuw. Alles veranderde toen de auteur Maurice Druon met zijn manuscript over die koningen naar zijn uitgever stapte. Hij werd nochtans allesbehalve enthousiast ontvangen want zijn uitgever geloofde niet in de verkoopbaarheid van het thema. Uitgevers hebben echter niet altijd gelijk en vijftig jaar later zijn miljoenen exemplaren van dat boek verkocht en twee televisieseries gemaakt, waaronder het beroemde van Claude Barma en Marcel Jullian in 1972.

Maurice Druon heeft de basisregel voor een goede historische roman perfect toegepast : een fictieve geschiedenis vertellen die stevig wortelt in de wetenschappelijke geschiedenis waarbij hij zichzelf litteraire vrijheid schept in een grijzere zone. Daar is minder van bekend en geeft de auteur ruimte om intriges te weven rond minder belangrijke politieke figuren zoals Mathilde van Artois en haar neef Robert III van Artois. Druon slaagde erin om geschiedenis en fictie te vermengen zonder dat ze elkaar tegenspreken. Hij doet de geschiedenis nooit geweld aan, maar past ze hier en daar wat aan, zoals hij dat zelf zegde tijdens interviews. Zo laat hij Guillaume de Nogaret na Molay sterven, maar de legist was reeds een jaar eerder dood.

In het verhaal van de vervloekte koningen gaat men ervan uit dat de vloek van Molay bleef werken op het nageslacht van Filips de Schone. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon Lodewijk die na de dood van zijn moeder Jeanne reeds in 1304 koning van Navarra was geworden. Als de nieuwe koning van Frankrijk werd hij echter sterk gedomineerd door zijn oom Karel van Valois. Twee jaar na het begin van zijn regentschap werd Lodewijk ziek en stierf aan een longontsteking op 5 juni 1316. Zijn koningschap lijkt niet lang geduurd te hebben, maar met zijn regentschap van Navarra erbij geteld, is hij niet twee jaar maar wel twaalf jaar koning geweest.

Lodewijk X werd opgevolgd door zijn jongere broer Filips V, alhoewel Karel van Valois een poging ondernam om zelf koning te worden. Filips V regeerde gedurende zes jaar. In augustus 1321 werd hij ziek. Koorts en bloeddiarree waren het gevolg. Processies hielpen niet. Totaal verzwakt overleed hij op 2 of 3 januari 1322.

Daarna was het de beurt aan Karel IV, de derde zoon van Filips de Schone. Ook hij zat zes jaar op de troon maar stierf in 1328 zonder mannelijke opvolger wat het begin was van een dynastieke crisis. Er wordt vermoed dat Karel een longontsteking opdeed tijdens een uitgeregende militaire campagne in Vlaanderen.

Het volk was ontsteld want in minder dan vijftien jaar was het overmachtige rijk van Filips de Schone verscheurd en verzwakt door schandalen, moorden, politieke processen en militaire fiasco’s. Zijn zonen waren dood en er was geen rechtstreekse erfgenaam. Zoveel ongeluk betekende voor de middeleeuwse mens een straf van God en men begon zich af te vragen of Filips de Schone wellicht God had beledigd. Was dat omdat hij de vertegenwoordiger van God op aarde, de paus van Rome, opzij had gezet in verband met zijn aanval op de tempeliers en het canonieke recht van de paus had overtreden door Molay wederrechtelijk te verbranden ? Opnieuw was de algemene sfeer uiterst geschikt om de mythe van de vloek te laten ontstaan, of om haar te versterken.

De moderne mens is wellicht verwonderd over de vroege dood van deze koningen, allen zonen van Filips de Schone. Maar hijzelf werd ook niet ouder dan 46 jaar, hetgeen echter minder opvalt omdat hij reeds koning was op zijn zeventiende. Van zijn drie zonen werd niemand ouder dan 35 jaar, maar dat is niet zo ongewoon in een tijd dat het gebrek aan hygiëne en de talrijke epidemieën die de kruisvaarders uit het oosten hadden meegebracht, de levensverwachting vrij laag hielden, mede door een gebrek aan goede geneeskunde. De gemiddelde levensverwachting was rond die tijd inderdaad slechts 32 jaar wat in de loop van de 14de eeuw nog zou verlagen door een klimaatsverandering, hongersnoden, oorlogen en de pest.

Het besmettingsgevaar was zeer groot. Men gebruikte nog geen bestek en gaf het voedsel met de hand aan elkaar door. Het drinkwater kwam uit de rivieren of uit verontreinigde putten. Tyfus en diarree waren dan ook veelvoorkomend. Vele mensen leden onder moederkorenvergiftiging door het gebruik van korenmeel van minderwaardige kwaliteit hetgeen vreselijke darmpijnen veroorzaakte. Chronische maagontstekingen waren schering en inslag. De geneeskunde was een kwestie van charlatans, barbieren, tandentrekkers, relieken en processies. De kennis van het menselijk lichaam was nog steeds miniem omdat de kerk tot in 1375 dissectie bleef verbieden, een maatregel die de vooruitgang van de geneeskunde biezonder hinderde. De hospitalen waren geen verzorgingshuizen maar eerder opvangplaatsen voor de armen. Zieken bleven bij hen thuis of werden afgezonderd.

In het begin van de 14de eeuw ontstond bij het westerse volk bovendien een collectieve angst voor een systematische vergiftiging van de waterputten door de joden, de moslims en de lepralijders. De Franse koningen besloten officiëel om zelf nog uitsluitend water te drinken… uit de Seine ! Het is duidelijk dat in dergelijke omstandigheden de levensverwachting niet hoog kan zijn.

Ook de edelen werden het slachtoffer van die massahysterie, maar dan dikwijls als gevolg van een politieke afrekening. Zo werd Mathilde van Artois er inderdaad van beschuldigd Lodewijk X te hebben vergiftigd en diens zoontje te hebben vermoord. Zijn broer Filips V nam de beschuldiging ernstig op en een proces volgde, maar in de herfst van 1317 werd Mathilde volledig vrijgesproken. De aanklachten waren in feite manipulaties van haar vijanden Karel van Valois en Robert III van Artois. Toch ontstonden zo nieuwe mythes : die van de kindermoorden en van het vergif, want het volk redeneert als volgt : waar rook is, daar moet ook vuur zijn.

Dit alles neemt niet weg dat het literaire werk van Marcel Druon over les rois maudits (1955-1977) een absoluut hoogtepunt is in zijn genre, de historische roman. Het betreft zeven volumes en een totaal van 1600 bladzijden, met als titels :

1. Le Roi de Fer (1955)

2. La Reine étranglée (1955)

3. Les Poisons de la Couronne (1956)

4. La loi des males (1957)

5. La Louve de France (1959)

6. Le Lis et le Lion (1960)

7. Quand un Roi perd la France (1977)

___________

Addendum :

Beknopte chronologie aan de hand van eigentijdse documenten

De belangrijkste bronnen voor deze chronologie en bovenstaand artikel zijn:

Primaire bronnen

BAILLET A. Histoire des démêlés du pape Boniface VIII avec Philippe le Bel, Parijs, 1718.

BALUSE, Vitae paparum Avenionensium, 1693.

BOUTARIC E., Clément V, Philippe le bel et les Templiers, 1862.

CLEMENS V, Table des registres…, Fawter R., Parijs 1948-57.

DEVIC C. & VAISETTE J. Histoire générale du Languedoc, Ed. Molinier, Toulouse, 15 vol. 1872-1892.

DUPUY P., Traité concernant l’Histoire de France, à savoir la condamnation des Templiers, Paris, 1654.

FINKE H., Papsttum und Untergang des Tempelorden, Munster, 1907.

HAUREAU J.B., Histoire Litéraire de la France, 1881.

LALANDE E., Arnaud de Villeneuve, sa vie et ses oeuvres, Parijs, 1896.

LEONARD E.G., Introduction en cartulaire manuscrit du Temple, Parijs, 1930.

LEROY S., Jacques de Molay et les Templiers francs-comtois d’après les actes du procès, Gray, 1900.

LIZERAND G., L’affaire des Templiers, le dossier du procès, Parijs, 1910.

MICHELET J., Procès des Templiers, Collection des documents inédits, Parijs, 1841-1851.

PARIS Godefroy de, Chronique métrique de Philippe le Bel, Ed. J.A. Buchon, Parijs 1826

PARIS Mathieu, Chronica Maiora, ed. R. Luard, Londen, 1872-1884, 7 vol.

PICOT G., Documents relatifs aux états généraux et assemblées réunis sous Philippe le Bel, Parijs, 1901.

PRUTZ H., Entwicklung und Untergang des Tempelherrenordens, Berlijn, 1888.

RAYNOUARD J.M., Monuments historiques relatifs à la condamnation des Templiers, Parijs, 1813.

SCHOTTMULLER K., Der Untergang des Tempelorden, Berlijn, 1887.

Recente historisch-wetenschappelijke publicaties :

BARBER M., The trial of the templars, Cambridge, 1987

BORDENOVE G., La tragédie des templiers, Parijs, 1993

BULST-THIELE M.L., Sacrae domus militiae Templi hierosolomytani magistri, Gôttingen, 1974.

DEMURGER A. Vie et Mort de l’Ordre du Temple, Parijs, 1985. Vertaling : Opkomst en ondergang van de tempelridders, Baarn, 1993.

DEMURGER A., The last Templar, Londen, 2002.

DEMURGER A., Jacques de Molay. Le crépuscule des Templiers, 2002.

HUCHET P., De tempeliers : van glorie tot tragedie, Den Haag, 2004.

NUYTTENS M., Krijgers voor God, Leuven, 2007

VAN BUYTEN Y. & VANDERZEYPEN W., De tempeliers, Den Haag/Tienen, 2005 (met publicatie van twintig in het Nederlands vertaalde procesdocumenten).

Nota : Bij ons onderzoek ter voorbereiding van het tempeliersboek hebben we nog andere procesdocumenten in het Nederlands vertaald, die echter niet in het boek werden gepubliceerd. Deze zullen we eerstkomende in deze blog publiceren.

1274

7 mei-17 juli : Tijdens het tweede concilie van Lyon wordt de werking van de ridderorden bekritiseerd. Gregorius X (1271-76) wil een concilie samenroepen om ze te hervormen. Een intern document wordt opgesteld binnen de tempel om de voorrechten te verdedigen.

1291

Val van Akko. De tempeliers trekken zich terug op Cyprus. Paus Nicolaas IV consulteert de concilievaders van Salzburg in verband met hulp aan het Heilige Land. Zij stellen een fusie voor van de drie grote orden : tempeliers, hospitaalridders en Teutonen.

1293

Molay organiseert een generaal kapittel van de orde te Montpellier. Hij zoekt vervolgens naar een alliantie met de mongoolse khan van Perzië tegen de mamelouken van Egypte, maar faalt.

1303

Korte herovering van het eiland Ruad door de tempeliers, dat verloren wordt met een groot verlies aan effectieven.

1305

Paus Clemens krijgt informatie via gezanten en brieven van de Franse koning in verband met de geruchten tegen de tempeliers, nog voor hij tot paus wordt verkozen.

5 juni : verkiezing van Clemens V (Bertrand de Got).

1306

6 juni : brief van Clemens V aan de grootmeesters van de tempel en van het hospitaal met het bevel om naar Rome te komen en te beraadslagen over militaire hulp aan de koningen van Armenië en van Cyprus. Clemens beveelt Hugues de Pairaud om bij hem te blijven.

Antwoord van Molay aan de paus in een dubbel memorandum, één over de kruistocht en één over de fusie, die hij afwijst.

Clemens bezorgt een copie van Molay’s antwoorden aan Filips de Schone.

Molay begeeft zich naar Parijs.

1307

In de lente brengt Filips te Poitiers het dossier tegen de tempel opnieuw onder de aandacht van Clemens. Deze meldt zijn ongerustheid aan Molay. Molay roept pro forma een kapittel samen te Parijs om een intern onderzoek in te stellen.

24 augustus : de paus antwoordt Filips dat hij beslist heeft om een vooronderzoek te openen en vraagt om meer inlichtingen.

14 september : opstelling van koninklijk bevel tot arrestatie van de tempeliers en de daarbij te volgen procedure, tijdens een vergadering in het klooster van Maubuisson (zie Van Buyten & Vanderzeypen, De tempeliers, (p. 267)

13 oktober : arrestatie van de Franse tempeliers in de rechtstreeks door Filips de Schone gecontroleerde gebieden. In alle huizen worden inventarissen opgemaakt (p. 272)

21 oktober : ondervraging en bekentenissen van Geoffroi de Charney, precepteur van Normandië (p. 275).

24 oktober : ondervraging van Jacques de Molay door inquisiteur Guillaume de Paris (p. 276).

25 oktober : herhaling van Molay’s bekentenissen voor de universiteit van Parijs.

27 oktober : brief van de paus aan Filips waarin hij zich beklaagt over de arrestatie.

9 november : ondervraging van Hugues de Pairaud, visiteur van Frankrijk (p.278). Nota : volgens één verklaring van een tempelbroeder zou Pairaud de concurrent geweest zijn van Molay tijdens de verkiezing van de laatste grootmeester.

december : memorandum van Molay aan alle tempeliers met het advies om te bekennen. 22 november : Bul van Clemens (Pastoralis praeeminentiae) waarin hij aan alle koningen de opdracht geeft om de tempeliers in hun gebied te arresteren.

Bezoek van de kardinalen Bérenger Frédol en Etienne de Suisy aan de gevangenen van Parijs. Molay en Pairaud trekken hun bekenenissen in.

1308

februari : Filips de Schone stelt een aantal vragen aan de magisters in theologie van de universiteit van Parijs. Clemens schorst de rechten van de Inquisiteur van Parijs. Ondervragingen en martelingen blijven echter doorgaan tot in maart.

25 maart : antwoord van de universiteitsmagisters aan Filips de Schone. Oproep van de gedeputeerden voor een Staten Generaal te Tours (auteur Guillaume de Nogaret) (p. 283).

Consultatie van Pierre Dubois.

Verspreiding van een anoniem pamflet : ‘Vermaning van het volk van Frankrijk aan de paus‘ (auteur : Pierre Dubois) (p. 281.)

29 april : een procuratie wordt overhandigd aan de gedeputeerden voor de Staten-Generaal te Tours.

< 29 mei : verspreiding anoniem pamflet : ‘Smeekschrift van het volk van Frankrijk aan de koning‘ (auteur Pierre Dubois), (p.281)

29 mei : pleidooi van Guillaume de Plaisians tijdens de eerste kerkenraad te Poitiers.

14 juni : tweede pleidooi van Guillaume de Plaisians te Poitiers.

Clemens heft de schorsing van de Inquisiteurs op.

28 juni-23 juli : Filips presenteert een groep van reeds ondervraagde tempeliers aan de paus.

5 juli : Clemens beslist om in elk diocees een bisschoppelijke rechtbank in te stellen

12 augustus : Clemens stelt pauselijke commissies samen om de tempeliers te ondervragen (bul Faciens misericordiam).

20 augustus : bekentenis te Chinon van Molay voor de kardinalen Bérenger Frédol, Etienne de Suissy en Landolf Brancaccio.

1309

6 mei : Clemens beslist dat de tempeliers die door hem of de kardinalen werden ondervraagd niet meer moeten verschijnen. Wat de anderen betreft, laat hij de vrijheid aan de prelaten om te bepalen of het onderzoek volstond of niet.

Instructies van de bisschop van Parijs met een model van het procesverbaal voor de verdere ondervragingen (p. 285).

8 augustus : opening zittingen pauselijke commissie te Parijs.

22 november : eerste getuige voor de pauselijke commissie te Parijs

26 november : eerste verklaring van Molay voor de pauselijke commissie te Parijs (p. 288).

27 november : belastende verklaring van tempelier Ponsard de Gizy (p. 291).

28 november : tweede verklaring van Molay voor de pauselijke commissie te Parijs (p. 294).

1310

2 maart : derde verklaring van Molay voor de pauselijke commissie te Parijs (p. 298).

7 april : verdediging van de orde door een grote groep tempeliers, meer dan 500, onder leiding van Renaud de Provins en Pierre de Boulogne (p. 299).

10 mei : de verdedigers vragen aan de commissarissen om het concilie van Sens uit te stellen, maar deze antwoorden dat ze niet kunnen tussenkomen.

11 mei : provinciaal concilie van Sens onder leiding van aartsbisschop Philippe de Marigny. 54 tempeliers worden als relaps veroordeeld.

12 mei : Executies van 54 tempeliers te Sens.

Verdwijning van Pierre de Boulogne.

1311

mei-juni : uitspraken van regionale synodes over individuele gevallen. Executies te Senlis, Porte d’Arche en Carcassonne.

5 juni : pauselijke commissie sluit werkloos haar onderzoek af.

1 oktober : plechtige opening concilie van Vienne.

16 oktober : eerste zitting te Vienne.

4 november : brief van Clemens aan Filips met de vermelding dat zich tempeliers rond Lyon verzamelen en dat hij hun houding bedreigend vindt.

1312

2 maart : brief van Filips de Schone aan paus Clemens V met het dringend verzoek om de orde op te heffen (p. 306).

20 maart : aankomst van Filips te Vienne.

3 april : derde zitting met redevoering van Clemens (Vox in excelso) waarin hij de orde opheft.

3 mei : Clemens wijst de bezittingen van de tempel aan het hospitaal toe. In de bul Considerantes Dudum reserveert hij voor zichzelf het oordeel van de leiders die nog steeds in Parijs gevangen zitten.

24 augustus : brief van Filips aan de paus waarin hij onder voorbehoud akkoord gaat met de toekenning van de goederen van de tempel aan het hospitaal (p. 307).

1314

19 maart : de leiders van de tempeliers worden door een commissie van kardinalen veroordeeld tot eeuwige gevangenisstraf. Molay en Charney protesteren en worden door Filips onmiddellijk verbrand.

FINIS

Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress