Willy Vanderzeypen

01/01/2008

Het kathaarse netwerk van Pradelles

Geplaatst onder: Het kathaarse netwerk van Pradelles — Willy Vanderzeypen @ 20:04

Het kathaarse netwerk van Pradelles

1220-1244

Willy Vanderzeypen - 2007

 

Pradelles-Cabardès is een dorp in het hart van de Montagne Noire, gelegen op duizend meter hoogte, ten noorden van Carcassonne. Tijdens ons verblijf waren we nieuwsgierig naar de geschiedenis van de plaats in de kathaarse periode. We vonden in feite veel meer dan we hadden verwacht, namelijk de aanwezigheid en de werking van een actief kathaars netwerk. We zijn dan in de eerste helft van de 13de eeuw en weten dat allemaal uit een lange verklaring voor de Inquisitie van een dorpsbewoner, Pierre Daydé van Pradelles. Hij was niet een eenvoudige gelovige maar vele jaren lang één van de trouwste agenten van de Bons Hommes. De Inquisitie wilde daar natuurlijk meer over weten en Pierre Daydé werd opgeroepen. Op 8 februari 1244 verscheen hij ‘vrijwillig’ voor de dominicaanse inquisiteurs, Ferrer en Durand. Hij legde een lange verklaring af, boordevol informatie over de clandestiene kathaarse kerk in de omgeving van de Pic de Nore.

In 2007 hebben we deze Latijnse verklaring in het Nederlands vertaald en vervolgens in groep onderzocht. Op die manier hebben we dat clandestiene netwerk van de bons hommes en bonnes femmes zo nauwkeurig mogelijk proberen op te sporen. Historisch detectivewerk, en dat is het ook, maar dan wel aan de hand van eigentijdse bronnen. De feiten en vernoemde namen in de verklaring van Pierre Daydé hebben we tevens vergeleken met de algemeen gekende context en andere verklaringen. Want dergelijke tekst is voor het onderzoek bij eerste oogopslag slechts een ruwe diamant die pas begint te schitteren wanneer het door de onderzoeker bewerkt en geslepen wordt.

De hoofdbron

Die fameuze verklaring van Pierre Daydé van Pradelles (Petrus Daide de Pradellis) vinden we in het inquisitieregister van broeder Ferrier (Registre de Ferrier, Lauragais, Interrogatoires d’Inquisition, 1242-1244).

Het register zelf werd gevonden in de Inquisitiearchieven van Carcassonne, in 1669 door de mannen van Jean de Doat, die het in opdracht van de Franse koning ter plaatse copiëerden en vervolgens de copies naar Parijs brachten. Deze copies staan in de volumes 22 (vanaf folio 108), 23 en 24 (tot folio 237) van een grote verzameling die men het Fonds Doat noemt en het resultaat is van die copiëeraktie uit de 17de eeuw.

De Latijnse versie van de verklaring van Pierre Daydé is dus een document uit dat Fonds Doat dat zich vandaag in de Nationale Bibliotheek van Parijs bevindt. Het staat in volume 23, gaande van folio 126 verso tot folio 140 verso. De datum hoeft niet aangepast te worden want de notarissen van Ferrier gebruikten het systeem van Kerstmis en niet dat van Pasen.

Een dactylotranscriptie en vertaling in het Frans werden door Jean Duvernoy uitgevoerd in 1995. Onze elektronische transcriptie en de vertaling (2007) vindt u in bijlage van dit artikel.

De inquisiteurs

De dominicaanse frater Ferrer of Ferrier (Ferrarus), die onze getuige ondervroeg, is één van de eerste inquisiteurs die door paus Gregorius IX werd aangesteld voor Zuid-Frankrijk. Ferrer begon te werken in Narbonne (1233-1236) en ging daarna naar Albi waar hij zich liet opmerken door zijn wreedheid. Na de moord op de inquisiteurs van Avignonet (1242) werd hij aangesteld voor de Lauragais en Toulouse. Zijn adjuncten waren Pons Gary (Ponsius Garini) en Pierre Durand (Petrus Durantus), die op het einde van het procesverbaal wordt vermeld.

Ferrer was afkomstig uit een klein dorpje (Villelongue) nabij Perpignan. Hij ging studeren te Parijs en werd meester in de theologie. Reeds in 1229 was hij bisschoppelijke inquisiteur onder de jurisdictie van Pierre Amiel, de aartsbisschop van Narbonne. In 1233 was Ferrer dus de aangewezen man om pauselijke inquisiteur te worden van de rechtbank te Carcassonne. Hij kreeg daarbij voorspraak van Jean de Bernin, pauselijke legaat en aartsbisschop van Vienne. Ferrer mocht werken in de diocesen van Narbonne, Béziers, Carcassonne, Rodez, Albi en Elne, een enorm gebied.

Tussen december 1242 en september 1244 was Ferrer zeer actief. Meer dan 700 personen legden voor hem of zijn assistenten een verklaring af. Hij slaagde erin om meerdere kathaarse netwerken te ontmantelen en vele ketters te laten arresteren, ondanks de tegenwerking van de plaatselijke heren en de landelijke bevolking.

Ferrer verplaatste zich regelmatig, wellicht uit veiligheid, en zetelde tijdens deze periode vooral te Limoux, Conques en Saissac. Daar nodigde hij verdachten en andere getuigen uit, soms individueel of soms na collectieve oproepen. Alles werd netjes door zijn notarissen genoteerd. Hiermee legde hij de administratieve basis voor het verdere inquisitiewerk van Bernard de Caux en Jean de Saint-Pierre (1245-1246). Later werd Ferrer door Bernard Gui opgehemeld voor zijn gedreven werk.

Eind 1244 werd Ferrer vervangen als inquisiteur. In maart 1247 verschijnt hij voor het laatst in de documenten, maar dan uitsluitend als getuige tijdens een inquisitieproces te Pamiers. Tot in 1254 was hij prior in diverse dominicaanse kloosters of huizen (Prouille, Carcassonne en Béziers). Ferrer beëindigde in alle rust zijn leven te Perpignan, zonder dat men de datum van zijn dood kent.

De verklaring van Pierre Daydé

Als trouwe agent van de Bons Hommes werd Pierre Daydé soms voor zijn diensten door hen betaald, maar hij zette zich vooral in voor de zaak van de kathaarse kerk van Carcassès uit religieuze overtuiging als gelovige. Hij maakte deel uit van een erg kathaarsgezinde familie. Op het einde van de verklaring zegt de getuige : Ik geloof in de leer van de Bons Hommes sinds ik daarover onderscheid kan maken en omdat ik geloof dat mijn ziel gered zal worden wanneer ik als lid van hun kerk sterf.  En dat laatste blijkt ook uit verklaringen van andere getuigen de werkelijke hoofdreden te zijn waarom gewone mensen voor de kathaarse leer kozen. Voor het langdurige voortbestaan van de vervolgde kathaarse kerk in Zuid-Frankrijk waren agenten zoals Pierre Daydé belangrijke acteurs, vooral als begeleiders van Bons Hommes in voor hen ongekende streken en gedurende de nacht.

Pierre Daydé verscheen dus niet voor Ferrer als gearresteerde of beschuldigde, maar als opgeroepen getuige. Hij was loslippig. Zijn verklaring wemelt van namen, ook al komen een aantal daarvan steeds terug. Dat is ook de bedoeling van de inquisiteurs : zoveel mogelijk namen lospeuteren uit de verhoorden en dat op papier zetten voor later kruisonderzoek. We hebben daarvan een inventaris gemaakt en tellen dat Daydé 108 verschillende personen bij naam noemt, waarvan 18 Bons Hommes (zonder hun meestal anonieme socius of gezel) en 5 Bonnes Femmes.

Dergelijke concentratie van katharen op één plaats, en dat in een zeer dun bevolkt gebied en tijdens de Inquisitie, is uiteraard uitzonderlijk. Tevens in het oog springend bij de lezing van de verklaring is de famiale verankering van het katharisme, ook al betekent dit niet automatisch dat elk familielid hetzelfde geloof aanhing. Uit deze getuigenis kunnen we ons een vrij goed beeld vormen van het clandestiene kathaarse netwerk rond Pradelles en Hautpoul in de periode van 1220 tot 1244.

Een probleem bij de lezing is dat Pierre Daydé zijn herinneringen in tijd door elkaar haalt. De gebeurtenissen waarover hij het heeft, hebben we chronologisch gerangschikt.

Chronologische rangschikking van de feiten uit de verklaring.

Rond 1224 verblijven de Bons Hommes Mathieu en Martror gedurende vijf jaar vrijelijk in het castrum van Pradelles. We zijn dan aan het einde van de reconquista door de graven van Toulouse. Mathieu geeft les aan de kinderen van een familielid van de getuige, waarvoor hij wellicht vergoed werd. Wanneer deze Bon Homme sterft, erven zijn leerlingen zijn boeken. Martror kunnen we in de documenten volgen tot in 1237.

Er leven in het dorp ook katholieken en waldenzen, de andere grote ketterij van die tijd. Een zekere Bernard Airoyer wordt door zijn zuster overtuigd om zich bij de waldenzen aan te sluiten en zij verlaten samen Pradelles, waarschijnlijk om te gaan prediken, en zeker niet omdat ze weggejaagd werden. Deze Airoyer vinden we terug in een document van bijna dertig jaar later (1252) wanneer hij zich verzoent met de Romeinse kerk, op uitdrukkelijk bevel van de inquisiteurs en na het betalen van een waarborg.

Rond 1229 neemt onze getuige Pierre Daydé deel aan het consolament van een familielid. Dat spirituele doopsel met handoplegging wordt toegediend door de kathaarse hoogwaardigheidsbekleder Pèire Pollan (Pierre Poullain, Petrus Pollanus), die daarbij geassisteerd wordt door drie of vier andere Bons Hommes. Deze toekomstige kathaarse bisschop (pas vanaf 1240) duikt regelmatig op in Pradelles, wat erop wijst dat hij zich daar relatief veilig voelde en dat de plaats een belangrijke schakel was van zijn kathaarse netwerk rond Carcassonne. In datzelfde jaar tekent de graaf van Toulouse de vrede van Meaux en wordt de streek feodaal-juridisch definitief bezit van de Franse koning. De Inquisitie begint haar taak, maar in het afgelegen Pradelles heeft de bevolking daar in eerste instantie nog weinig last van. Nog te noteren valt dat aan deze plechtigheid liefst twintig personen deelnamen, hetgeen de zogezegde geheimzinnigheid en geslotenheid van kathaarse rituelen tegenspreekt.

Een jaar later heerst er tussen de twee takken van de familie Daydé een ernstige onenigheid, zonder dat gezegd wordt waarover. Opnieuw is Pèire Pollan in Pradelles en organiseert samen met enkele andere Bons Hommes een geslaagde zitting van verzoening. Het is een fraai voorbeeld van de sociale functie van de Bons Hommes als occasionele vredestichters.

Dan begeeft Pierre Daydé zich op verzoek van de Bon Homme Martror naar Hautpoul met als opdracht daar een andere Bon Homme te gaan ophalen, namelijk Pierre Delpech, die verborgen leeft in het huis van Barrau Villemagne. Door de dood van Mathieu had Martror geen socius meer en vemoedelijk wilde hij van deze Pierre Delpech zijn nieuwe gezel maken.

Rond 1232 geeft Peironne Daydé zich op haar sterfbed te Pradelles aan de kerk van de Bons Hommes. Tijdens haar ziekte wordt ze verzorgd door een Bonne Femme (Bermonde), een voorbeeld van een andere veelvoorkomende sociale functie van de kathaarse clerus, namelijk ziekenzorg, en vooral uitgeoefend door de vrouwen.

In datzelfde jaar krijgt Pierre Daydé een belangrijke opdracht. Hij moet een aantal Bons Hommes vanuit Pradelles naar Montlédier in de Tarn leiden en vraagt daarbij de hulp van een andere agent , Arnaut Daydé, een familielid. De relatief verre tocht verloopt voorspoedig en de groep brengt een bezoek aan de familie van Roger van Cabarets (Lastours). De voormalige heer van het castrum van Cabarets had zich waarschijnlijk teruggetrokken in Montlédier na de overgave van zijn kasteel aan de koning van Frankrijk. De reizigers werden er goed ontvangen, bleven er overnachten en keerden de volgende dag reeds naar Pradelles terug. De moderne mens kan zich slechts verbazen over de grote afstanden die de middeleeuwer te voet aankon.

In de periode van 1232 tot 1234 bezoekt Pierre Daydé regelmatig de gemeenschap van Bons Hommes en Bonnes Femmes die nu in cabanes wonen, bijna zeker op de flank van de berg boven het dorp, en daar bevoorraad worden door enkele mensen uit het dorp. Eén van de eerste cabanes werd gebouwd voor de Bonne Femme Melina rond 1231, hetgeen betekent dat deze gemeenschap daar meerdere jaren kon bestaan. Eerst lijken er zich vrouwen te hebben gevestigd, waaronder Melina en de Bonnes Femmes van Marmorières. Ze worden vervoegd door Bons Hommes die reeds in het dorp verbleven, zoals Martror en Arnaud van Sallèles. Later groeit de gemeenschap aan met nog andere Bons Hommes zoals Bernard van Leuc, Pierre Estève en Guillaume Faure.

We mogen in deze periode dus spreken van een grote gemengde gemeenschap van katharen te Pradelles. In de eerste fase wordt de gemeenschap gevormd door plaatselijke katharen die het dorp hebben ontruimd en dat deden om de veiligheid van de dorpsbewoners niet in gevaar te brengen. Later groeit de gemeenschap aan met katharen uit andere dorpen, wat opnieuw de relatieve veiligheid van Pradelles bewijst.

Vanuit andere dorpen zoals Villerouat en Mas-Cabardès komen steeds meer gelovigen naar de gemeenschap in het bos van Pradelles om te luisteren naar de predikingen. Pèire Pollan en zijn gezellen worden regelmatig te Pradelles gesignaleerd en lijken er rond 1234 zelfs een tijdje te verblijven. Andere agenten melden zich bij hen aan, zelfs vanuit de kustzone. Naar Lombardije vluchtende katharen en gelovigen uit de streek van Toulouse passeren bijna allemaal langs Pradelles. Op dat ogenblik fungeert Pradelles als een belangrijk toevluchtsoord en centrum voor de katharen. Dat is niet zo toevallig want de omgeving van de Pic du Nore bood een vorm van bescherming door de vrij grote afstand met Carcassonne en de steile en smalle wegen om het dorp te bereiken. Bovendien kon men gemakkelijk vluchten naar de noordelijke zijde van de berg waar zich het castrum van Hautpoul (nabij Mazamet) bevond. Daar hadden de katharen nog steeds veel symphatisanten en werden er bovendien beschermd door de plaatselijke lage adel zodat ze vrij ongestoord konden werken. Bovendien lag Hautpoul in het katholieke bisdom van Albi waar in die periode nog geen inquisitierechtbank zetelde.

Het leven in de cabanes had echter een belangrijk nadeel : de katharen waren nu volledig afhankelijk van de goede wil van de dorpelingen en konden niet langer leven door het werk met eigen handen. Ze waren steeds meer verplicht om voedsel te kopen en op termijn maakte dit de gemeenschap onleefbaar, ook zonder de groeiende dreiging van de Inquisitie. Toch zien we de Bonnes Femmes nog steeds in hun huizen spinnen en weven en wanneer ze overschotten hadden, deelden ze dat met hun gelovigen.

Rond 1236 begeeft Pierre Daydé zich opnieuw naar het castrum van Hautpoul. Hij ontmoet daar meerdere Bons Hommes zoals Pèire Vernadel en Pèire Amat, en later zelfs de kathaarse diaken van Cessenon.

Een jaar later ziet de getuige hoe te Hautpoul de Bon Homme Bernard van Leuc en zijn gezellen iemand overtuigen om tot de kathaarse clerus toe te treden. Pierre Daydé krijgt de opdracht om de pas bekeerde naar Mas-Cabardès te brengen maar dat gaat niet door omdat de man wordt gedood.

In 1239 reist Pierre Daydé naar Montégut in de Tarn waar hij de Bon Homme Aimeric van Collet ontmoet. Later zou hij deze belangrijke kathaar nog regelmatig signaleren te Hautpoul.

In 1240 krijgt Pierre Daydé een delicate opdracht uit te voeren. Door het bezette land moet hij een grote groep Bons Hommes vanuit Hautpoul over de berg naar Laure-Minervois in de vlakte brengen. Het spreekt voor zijn kunde dat het weeral goed afloopt. Bij hun aankomst in Laure treffen ze nog negen andere Bons Hommes aan. Hier is dus sprake van een grote vergadering van Bons Hommes van de kerk van Albi en hun collega’s van de kerk van Carcassès. De aanwezige Aimeric van Collet was dan waarschijnlijk reeds bisschop van de Albigeois, of alleszins Fils Majeur, en Sicard de Lunel was Fils Mineur. De reden van deze uitzonderlijke bijeenkomst wordt in de verklaring van Pierre Daydé niet vermeld, maar gezien de datum, namelijk in augustus 1240, is het verleidelijk om een direct verband te zien met het offensief van burggraaf Trencavel vanuit Aragon om Carcassonne op de Fransen te heroveren. Nog tijdens diens opmars door de Corbières en de Audevallei zien we overal in het land opstanden uitbreken zodat een en ander voordien en in het geheim moet voorbereid zijn. In september 1240 belegerde het leger van Trencavel vruchteloos de cité. De vergadering te Laure lijkt te kaderen in die geheime voorbereiding. Na afloop brengt Pierre Daydé zijn groep Bons Hommes terug naar Hautpoul, waar hij zijn broer inschakelt om ze verder naar het noorden te begeleiden.

Tussen 1242 en 1244 verlaat Piere Daydé Pradelles als basis en verblijft steeds meer te Hautpoul waar hij in zijn huis buiten het castrum Bons Hommes zoals Aimeric van Colllet, Pierre Capelle en hun socii ontvangt.

Uit de verklaring in zijn geheel kan men opmaken dat Pierre Daydé reeds vanaf 1236 meestal in Hautpoul verbleef. Misschien deed hij dat wel uit liefde voor zijn concubine Guillemette, met wie hij regelmatig wandelingen maakte. Het lijkt er echter op dat hij voor zijn diensten aan de kathaarse kerk meer gevraagd werd te Hautpoul dan te Pradelles en dat zou kunnen betekenen dat de gemeenschap daar was opgedoekt.

Wat er verder gebeurde met de kathaarse gemeenschap in de cabanes van Pradelles, is echter niet gekend. Wellicht verlieten ook zij de plaats rond 1236 en zochten ze net zoals de getuige veiligere plaatsen op. En daarmee nemen we voorlopig afscheid van Pierre Daydé van Pradelles.

De kathaarse kerk van Carcassès in een vroegere periode

Uiteraard waren er andere en betere tijden voor de kathaarse kerken dan de periode waarover Pierre Daydé het in zijn verklaring heeft en die niet verder in tijd teruggaat dan 1224. Uit de bronnen weten we daar niet veel van. De geschiedenis van de kathaarse kerk van Carcassès begint in feite te Saint-Félix, een heuvelcastrum in de Lauragais op de grens tussen het gebied van de graaf van Toulouse en dat van zijn burggraaf Trencavel. De 12de eeuw is gevuld van talrijke feodale twisten tussen deze twee hoge heren waarvan de kathaarsgezinde seigneurs van Saint-Félix profiteerden om zich erg onafhankelijk op te stellen. In 1167 konden zij alleszins de veiligheid garanderen van een internationale kerkelijke vergadering van kathaarse hoogwaardigheidsbekleders in hun castrum, ondanks een officiëel kerkelijk verbod, en een nijdige graaf van Toulouse die maar al te graag met de kerk wilde meewerken maar machteloos was.

Van die vergadering is een akte opgesteld, de Oorkonde van Niquinta. De personen die daarin worden vernoemd als de raadsleden van de kathaarse kerk van Carcassès kunnen niet gerelateerd worden met de mensen uit de latere inquisitieverklaringen wegens het te grote tijdsverschil. De akte geeft wel aan dat in 1167 de ketterij reeds goed ingeplant was in de streek van Toulouse en Albi, maar dat de Carcassès nog te veroveren was. Guiraud Mercier werd de eerste bisschop van de nieuwe kerk van Carcassès. Tevens werden de grenzen bepaald van het nieuwe kathaarse bisdom.

Het initiatief kende succes want voor de aanvang van de kruistocht in 1209 zien we in vele castra rond Carcassonne openlijk katharen verblijven in hun huizen (domus catharorum). De gegevens daarvan komen vooral uit het manuscript 609, uit het volume 23 van het Fonds Doat en uit de degelijke kroniek Hystoria Albigensis van Pierre des Vaux-de-Cernay. Volgende castra worden meerdere malen vernoemd voor hun kathaarse huizen: Miraval (rond 1200), Montréal (rond 1200 en 1203), Villepinte en Lasbordes (voor 1210), Cabarets (rond 1194 en 1200), Azille (rond 1200) en Laure-Minervois (voor de kruistocht en in 1209). We zijn dan in de periode van wat wel eens het triomferende katharisme wordt genoemd.

Over de daaropvolgende periode van 1210 tot 1220 is weinig geweten. Bleven de katharen in de dorpen of gingen ze op de vlucht voor de kruisvaarders van Simon en Amaury de Montfort ? Predikten zij tijdens een rondreizend leven ? Slechts van twee plaatsen weten we uit de documenten dat de katharen er publiekelijk hun geloof bleven belijden, ondanks de aanwezigheid van kruisvaarders : in Peyriac-Minervois (rond 1215) en in Montréal (rond 1215 en 1218).

Vanaf 1220 kunnen we spreken van een ‘revival’. De katharen kunnen zich opnieuw in de castra installeren na het verdwijnen van Simon de Montfort en de daaropvolgende reconquista van Toulouse. Toch kiezen de Bons Hommes daarbij niet noodzakelijk voor dezelfde plaatsen als degene voor de oorlog. Er lijkt zich een geografische reorganisatie voor te doen, en dat is logisch door de aanwezigheid van de kruisvaarders in en rond het standhoudende Carcassonne.

Volgende locaties verschijnen dan in de documenten : Montréal (in 1220, 1224, 1225 en 1226), Pauligne (rond 1223), Bram (rond 1225), Cabarets (in 1220, 1223 en einde decenium), Saissac (in 1220, 1223, 1225 en 1226), Laure (in 1220, 1223 en 1225), Aragon (in 1226), Miraval (in 1220 en 1224), Montolieu (in 1225) en tenslotte Pradelles (in 1224 en 1229).

Na de vrede van Meaux, getekend door de graaf van Toulouse in 1229, en een begin van Inquisitie, moeten alle kathaarse kerken van Zuid-Frankrijk in de clandestiniteit duiken. We zien de clerus zich eerst verbergen in de huizen van de gelovigen, en regelmatig van plaats veranderen om niet opgepakt te worden. Vervolgens vertoefden ze steeds meer in grotten en cabanes om de dorpelingen niet in opspraak te brengen. Toch zijn er dan nog steeds enkele plaatsen waar de katharen publiekelijk in de castra resideren zoals te Miraval (in 1232), Saissac (in 1238) en Villetritouls (in 1243).

Conclusie

De opbouw van de clandestiene kathaarse netwerken rond Carcassonne, zoals dat van Pradelles, heeft weinig te maken gehad met de kruistochten, maar was vooral een rechtstreeks gevolg van de inquisitiewerking.

De preciese reconstructie van die netwerken aan de hand van de inquisitieverklaringen vertoont voor de moderne historicus vele hiaten. De teksten zijn nochtans te vinden in registers die in feite met hetzelfde doel door de inquisiteurs werden samengesteld, maar dan wel om de netwerken na hun tracering te kunnen ontmantelen. Vele verklaringen zijn echter in de loop der tijden verdwenen en de moderne lijsten van kathaarse bisschoppen en diakens zijn daarom minder volledig dan degene waarover de inquisiteurs beschikten.

Deze kathaarse netwerken konden uitsluitend functioneren door de steun van de autochtone heren en van de gelovigen. Systematisch werden ze door de Inquisitie ontmanteld vanaf ongeveer 1235. Rond 1236 verdwijnen de Bons Hommes steeds meer uit de streek rond Carcassonne. Ze trekken naar de veiligheid van Montségur of naar de kathaarse kerk in ballingschap in Noord-Italië. Anderen blijven maar leiden een eenzaam leven in de grotten van de Montagne Noire of Corbières. Het contact met de basis van gelovigen vermindert. De mensen in de dorpen waarop ze nog beroep op kunnen doen worden steeds zeldzamer.

De gebeurtenissen en vernoemde namen in de verklaring van Pierre Daydé komen perfect overeen met de verklaringen van andere personen die het hebben over dezelfde feiten of personen. Tot in alle details geeft zijn verklaring de indruk om zeer waarheidsgetrouw te zijn.

De simpele woorden van deze eenvoudige man uit het volk, ooggetuige en kathaarse agent gedurende lange tijd, zijn een kaakslag voor de vele mythes rond de Bons Hommes en Bonnes Femmes. De vele namen die hij vernoemt en de grote betrokkenheid van de landelijke bevolking weerleggen ook bepaalde ontkennende stellingen rond het katharisme.

Primaire bronnen
FONDS DOAT, vol. 22-24, Register van Ferrier.
MS. 609, Register van Bernard de Caux en Jean de Saint-Pierre.
DE VIC G. Chronicon historicum episcoporum et rerum memorabilium ecclesiae Carcassonis, 1667
BERNARD G. Practica Inquisitionis heretice pravitatis.
BESSE G., De Oorkonde van Niquinta, 1660. (Transcriptie, vertaling en commentaar, Vanderzeypen W., 2006/7 (zie teksten www.katharen.be))
Secundaire bronnen
ALBARET L, (dir.) Les Inquisiteurs, 2001.
ALBARET L., De predikheren en de Inquisitie, (Vert. Doms R.) in E-magazine n°9, van Studiecentrum Als Catars Bruxelles, 2007
BRENON A., Het kathaarse geloof binnen het gezin in de Languedoc in de 13de en 14de eeuw, (vert. Doms R.) in Kathaarse Kronieken n° 2, 2005.
BRENON A., Les femmes cathares, 1992.
DOMS R., (dir. en vert.) Inquisitie, Kathaarse Kroniek n° 8, 2006.
DUVERNOY J. Confirmation d’aveux devant les inquisiteurs Ferrier et Pons Gary, in Heresis n° 1, 1983.
DUVERNOY J., L’histoire des cathares, 1979.
GRIFFE E., Le Languedoc cathare au temps de la croisade (1209-1229), 1973.
GRIFFE E., Le Languedoc cathare et l’Inquisiton (1229-1329), 1980.
GYBELS M., De kathaarse vrouwengemeenschappen in de Lauragais (1150-1240), 2004.
GYBELS M., Het belang van de vrouw en de familias binnen de kathaarse traditie, in Katharen, colloquiumboek Leuven 2004.
GYBELS M., Kathaarse vrouwen, in Kathaarse Kroniek n° 6, 2006.

HANCKE G., L’hérésie en héritage, 2007.
HANCKE G., Femmes en Languedoc, 2006
ROCHE J., Une église cathare, l’évêché du Carcassès, 2005.
VANDERZEYPEN W., De Oorkonde van Niquinta, eenvoudiger dan men denkt,  in E-magazine n° 9 (p.22->27) van Studiecentrum Als Catars Brussel.
VAN BUYTEN Y. & VANDERZEYPEN W., Katharen in Europa, 4de herz. druk 2009.
___________

Addendum :

De verklaring van Pierre Daydé van Pradelles

8 februari 1244

 Dactylotranscriptie Latijnse tekst uit Fonds Doat 23, fol. 126v°-140v°door Jean Duvernoy, 1995.

Elektronische transcriptie, vertalingen in het Nederlands en analyse door Willy Vanderzeypen, 2007
Cartografisch advies : Gerda Vancayzeele
Eerste voorstelling : Pradelles-Cabardès - Hotel Les Pailhès - 16 mei 2007

De gevolgde werkwijze:

De verklaring wordt hieronder gepubliceerd in drie versies :

(1) de Latijnse transcriptie van Jean Duvernoy, maar wel vervolledigd (vet lettertype)

(2) onze letterlijke vertaling in het Nederlands met alle details (normaal lettertype)

(3) een omzetting daarvan in meer modern Nederlands waarbij de « ik-vorm » wordt toegepast en de naamlijsten niet worden hernomen ( schuin lettertype)

Enkele opmerkingen om de lezing te vergemakkelijken :

■ De familie Daydé bestond uit twee takken, waarvan de ene zich Orre of Orte liet noemen. De getuige is van die Orre-tak.

■ Met heretici (ketters) bedoelen de inquisiteurs steeds de kathaarse priesters (parfaits of Bons Hommes) en de priesteressen (parfaites of Bonnes Femmes), en dus niet de kathaarse gelovigen. Vermits parfaits en parfaites termen zijn die uitgevonden werden door de Inquisitie, verkiezen wij sinds enige tijd Bons Hommes en Bonnes Femmes, zoals het volk hen noemde, en zonder dat te vertalen in Goede Mannen of Goede Vrouwen. De hoofdletter daarbij gebruiken we om een onderscheid te maken met de bons hommes of prud’hommes, een niet-religieuze naam voor gemeenteraadsleden.

■ De katharen noemden het Onze Vader of Pater Noster meestal het Oratio. Het is veruit hun meest geliefde gebed.

■ De kus tijdens de rituelen bleef beperkt tot het eigen geslacht.

■ In de verklaring lijkt de getuige na elke feitvermelding constant te moeten antwoorden op een bijkomende vraag van de inquisiteurs, in de zin van : Hebt gij of de andere aanwezigen die ketters aanbeden ? Dit was belangrijk voor de inquisiteurs, want wie ketters ‘aanbad’ werd door hen automatisch als een gelovige beschouwd. Het aantal keren dat men dat deed, heeft volgens rechtskundige Jan Van Hoof wellicht ook iets te maken met de  strafmaat.

■ De zin die niet voluit werd geschreven door de notaris (…einde ) is een standaardformule van het melhorament met einde als laatste woord en is volledig als volgt: Bidt God voor mij dat hij een goede christen van mij maakt en me leidt naar een goed einde.  ‘Een slecht einde’ betekende bij de katharen sterven in staat van zonde.

■ Pèire Pollan is inderdaad dezelfde als degene die de copie maakte van de akte van Saint-Félix, maar dan bijna een halve eeuw later. Hij deed dat in 1223, op verzoek van zijn bisschop Pèire Isarn. Vanaf 1240 werd Pollan zelf bisschop. Hij verdween uit de documenten in 1258 zonder dat we weten waarom.

■ Tijdens het noteren van de verklaringen vertaalden de klerken machinaal bepaalde woorden. Zo gebruikten zij steeds adorare (aanbidden) voor de rituele begroeting van de katharen door hun gelovigen, het melhorament. Wij zetten dat in de tweede vertaling om in (plechtig) eer betonen, eer betuigen of eerbiedig begroeten wat het in de werkelijkheid ook was.

■ Aimeric van Collet was eerst diaken van Hautpoul en vervolgens Fils Majeur van zijn broer Jean, die reeds bisschop was. Aimeric volgt Jean op in 1242. Rond 1255 wijkt hij uit naar Noord-Italië waar hij tot in 1270 wordt gesignaleerd.

■ Sicard van Lunel, afkomstig van Ambres in de Tarn, is de gezel van Aimeric van Collet. Tussen 1242 en 1244 zal hij zich verzoenen met de katholieke kerk en verraadt tot in 1253 meerdere gelovigen, vooral van goede afkomst.

■ De in de verklaring vermelde Raimon van Miraval mag niet verward worden met de gelijknamige troubadour die reeds in 1214 te Lerida als faidit en in armoede stierf.

■ Mogelijke copiefouten tegen het Latijn werden tijdens de transcriptie overgenomen en tussen haakjes achter het woord staat wat Jean Duvernoy of Raymond Doms denken dat het zou moeten zijn. In de Latijnse transcriptie zijn in de tekst tusen haakjes de foliobladen vermeld (v°=verso; r°=recto).

We zijn er ons van bewust dat dit monnikenwerk nog beduidend kan verbeterd worden.

 

 

PETRUS  DAIDE  DE  PRADELLIS

(1) VOL. XXIII. - (Fol. 127 r°) Anno Incarnationis Domini millesimo ducentesimo quarto, sexto idus februarii, Petrus Daide qui vocatur P.Orre de Pradellis in Cabardesio, requisitus…(Fol.127 v°)… iuratus dixit quod :

(2) In het jaar 1244 van de Incarnatie van de Heer, op 8 februari, zei Pierre Daydé, die Pierre Orre van Pradelles-Cabardès wordt genoemd, als opgeroepene… en onder eed het volgende :

(3) Op 8 februari 1244 werd Pierre (Orre) Daydé van Pradelles-Cabardès opgeroepen en legde onder eed volgende verklaring af :

Melina mater Arnaudi Guiraudiet Rogerii Guiraudi et Bernardi Guiraudi fratrum de Pradellis in quadam infirmitate quam habuit fecit se hereticam et recepit consolamen-tum ab hereticis. Et postmodum postquam de infirmitate illa convaluit, recessit a castro de Pradellis et fecit fieri cabanam in nemore. Et stetit in cabanis illis cum Marmoreriis hereticabus per tres vel quator annos iuxta castrum Pradellis.

Melina, de moeder van de gebroeders Arnaud, Roger en Bernard Guiraud van Pradelles, liet zich ketters maken en kreeg het consolament van de ketters tijdens een zekere ziekte die ze had. En daarna, toen ze van die ziekte was hersteld, verliet ze het castrum van Pradelles en liet zich in het bos een cabane maken. En samen met de ketterse vrouwen van Marmorières verbleef ze gedurende drie of vier jaar in die cabanes dichtbij het castrum van Pradelles.

Melina is de moeder van de gebroeders Guiraud van Pradelles. Tijdens een ziekte kreeg ze het consolament van de Bons Hommes toegediend. Eens hersteld verliet ze het dorp en liet zich in het nabije bos een cabane maken waar ze samen met de Bonnes Femmes van Marmorières gedurende drie à vier jaar verbleef.

Et vidit ipse testis quod B.de Lieuco et P. Stephani et Willelmus Faure heretici venerunt in quoddam casale ubi prefate heretice morabantur. Et ibi consolaverunt et receperunt Brunessendim sororem dels Raines sororem fratrem [fratrum ?]de Manso de Cabardesio in hunc modum :

En dezelfde getuige zag de ketters Bernard van Leuc, Pierre Estève en Guillaume Faure naar de huisjes komen waar die bonnes femmes verbleven. En daar gaven zij het consolament aan Brunissende, de zuster van de  broers Raines van Mas-Cabardès, en ontvingen haar op de volgende wijze :

Ik zag de Bons Hommes … naar de cabanes van de Bonnes Femmes komen. Zij gaven het consolament aan Brunissende Raines van Mas-Cabardès op de volgende manier :

In primis prefata Brunessendis ad postulationem hereticorum reddidit se Deo et Evangelio et ordini secte heretice, et promisit quod ulterius (Fol.128 r°) non…[lacune]… generis mortis, nec comederet nisi diceret Orationem, scilicet Pater Noster. Et his omnibus promissis dixit prefatam orationem, deinde prefati heretici imposuerunt manus et Librum super caput eius, et legerunt et dederunt ei pacem cum Libro et cum bracchio. Postmodum oraverunt Dominum facientes venias et genufluctiones multas.

Vooreerst gaf Brunissende zich op verzoek van de ketters aan God, aan het Evangelie en aan de Orde van de sekte der ketters, en beloofde wat verder staat niet ..?.. zoals een soort van dood, en dat ze niet zou eten indien ze het Gebed niet zou hebben gezegd, namelijk het Onze Vader. En na dat alles beloofd te hebben, zei ze dat gebed, waarna de ketters haar hun handen oplegden en het Boek op haar hoofd, een lezing deden en haar de vrede gaven met het Boek en met de arm. Daarna baden zij tot de Heer met vele ‘venias’ en kniebuigingen.

Op verzoek van de Bons Hommes gaf Brunissende zich aan God, het evangelie en hun orde. Ze beloofde niet te eten alvorens het Onzevader te hebben gezegd. Vervolgens bad ze een Onzevader waarna de Bons Hommes haar hun handen en het Evangelie oplegden en haar de vrede gaven. Tenslotte baden zij tot de Heer met vele diepe prosernaties en kniebuigingen.

Et interfuerunt illi consolamento ipse testis et Petrus Audebertus de Pradellis et Bellerus mater eius et Arnaldus Regafres et Girmunda uxor Petri Airoerii et P. Aostel et Bernarda Gairauda et R . Orre frater ipsius testis et (Fol. 128 v°) Bernarda mater ipsius testis et Arnaldus Daide et B. Daide fratres et P. Daide frater eorum et Cerdana uxor Petri Deodati [=Daide ?] et Arnaldus Gairaudi et Rogerius Gairaudi fratres et B. Petri frater Petri Audeberti et Aladaicia pedisseca ipsius testis et Arnaudus Cabibell et Johanna uxor Arnaldi Regaffre et Raimunda uxor Petri Aostell.

Aan dit consolament namen deel : de getuige zelf, Pierre Audebert van Pradelles, diens moeder Bellerus, Arnaud Regafres, Girmonde de echtgenote van Pierre Airoyer, Pierre Oustel, Bernarde Gairaud, Raimond Orre broer van de getuige, Bernarda moeder van de getuige, de gebroeders Arnaud en Bernard Daydé en hun broer Pierre Daydé, diens echtgenote Cerdane, de gebroeders Arnauld en Roger Gairaud, en Bernard-Pierre broer van Pierre Audebert, Aladaïs de dienster van de getuige, Arnaud Cabibel, Johanna echtgenote van Arnaud Regafres en Raimonde echtgenote van Pierre Oustel.

Aan dit consolament namen volgende personen deel : ikzelf, ….

Et ibi omnes, tam ipse testis quam alii viri et mulieres, facto consolamento adoraverunt ipsos hereticos dicendo isque per se… (Fol.129 r°) …finem. Et post adorationem acceperunt pacem ab ipsis hereticis, osculantes viri primo Librum deinde hereticos in ore bis ex transvero. Consequenter alter alterum adinvicem simili modo. Et mulieres accipiebant pacem a mulieribus hereticis, deinde osculabantur se ipsas altera alteram adinvicem simili modo.

En nadat het consolament was toegediend, aanbad iedereen, zowel de getuige zelf als de andere mannen en vrouwen, de ketters met voor zichzelf zeggend « … einde ». En na de aanbidding kregen zij van de ketters de vrede, waarbij de mannen eerst het Boek kusten en daarna de ketters schuin op de mond. Ze deden dat vervolgens met elkaar op dezelfde wijze. En de vrouwen kregen de vrede van de ketterse vrouwen, waarna zij elkaar kusten op dezelfde wijze.

Na de toediening van het consolament, groette eenieder eerbiedig de Bons Hommes met de woorden « …einde ». De Bons Hommes gaven hun de vrede waarna de mannen het evangelie kusten, de Bons Hommes op de wangen en tenslotte elkaar op dezelfde manier.

Et his omnibus factis comederunt omnes, tam ipse testis quam alii viri et mulieres simul cum hereticis et hereticabus in eadem mensa de pane quem heretici benedixerunt, et de aliis in mensa appositis. Et dicebant in quolibet genere sibi noviter sumpto et primo potu « Benedicite », et heretici respondebant in quolibet « Benedicite » « Deus vos benedicat ». Et his omnibus factis ipse testis et alii (Fol. 129 v°) dicesserunt inde et redieunt in sua. Et heretici et heretice abierunt similiter inde et tenuerunt viam suam versus cabanas in nemus. De tempore quod sunt tresdecim anni vel circa.

En eens al deze handelingen uitgevoerd, aten zij allen, zowel de getuige als de andere mannen en vrouwen, samen met de ketters en ketterse vrouwen aan dezelfde tafel het brood dat de ketters hadden gezegend, net zoals de andere gerechten. En zij zegden op bepaalde wijze voor de eerste hap en eerste slok « Benedicite », en de ketters antwoordden op bepaalde wijze : « Benedicite, God zal u zegenen. » En na dit alles gingen de getuige en de anderen daar weg en keerden terug naar huis. En de ketters en ketterse vrouwen gingen daar evenzo weg en namen de weg naar hun cabanes in het bos. Sinds die tijd zijn ongeveer 13 jaar verlopen.

Daarna aten alle aanwezigen samen aan dezelfde tafel van het brood dat de Bons Hommes eerst hadden gezegend, net zoals de andere schotels. Vooraleer te eten en te drinken zegden zij « Benedicite » en de Bons Hommes en Bonnes Femmes antwoordden : « Benedicite, God zal u zegenen. »  Samen met de andere bezoekers ging ik na de maaltijd weg en keerde naar huis terug. De Bons Hommes en Bonnes Femmes namen de weg naar hun cabanes in het bos.

Item dicit se vidisse quod Matheus et Martror heretici steterunt per quinque annos in villa de Pradellis, et prefatus Matheus hereticus docebat cotidie in domo Bernardi Daide Bernardum Daide et Arnaldum et Poncium Daide filios ipsius B.Daide. Et post quinque annos expletos prefatus Matheus hereticus decessit, et prefati filli Bernardi Daide habuerunt libros ipsius heretici. De tempore quod sunt viginti annos.

Hij zegt te hebben gezien dat de ketters Matheus en Martror gedurende vijf jaar in een villa van Pradelles verbleven en dat de ketter Matheus dagelijks les gaf in het huis van Bernard Daydé aan diens zonen Bernard, Arnaud en Pons. En toen na vijf jaar die ketter Matheus overleed, kregen die zonen van Bernardus Daydé al zijn ketterse boeken. Sindsdien zijn 20 jaar verlopen.

Twintig jaar geleden heb ik gezien dat de Bons Hommes Mathieu en Matror vijf jaar lang in een huis te Pradelles verbleven. Mathieu gaf thuisles aan de zonen van Bernard Daydé. Mathieu  overleed vijf jaar later en schonk zijn boeken aan zijn leerlingen.

Item dicit quod cum Pontius Daide de Pradellis infirmaretur ea infirmitate qua mortuus fuit, ipse testis venit in domum ipsius infirmi ad videndum ipsum infirmum, et invenit ante ipsum infirmum Petrum (Fol.130 r°) Pollanum et alios tres vel quatuor hereticos cum eo stantes ante infirmum, qui consolaverunt et receperunt ipsum infirmum. Tamen ipse testis non interfuit consolamento.

Hij zegt dat, toen Pons Daydé van Pradelles ziek was van een ziekte waaraan hij zou overlijden,  hijzelf die zieke man in diens huis ging bezoeken, en daar Pierre Pollan voor de zieke zag staan, samen met drie of vier andere ketters, en de zieke het consolament toedienden en hem ontvingen. Maar de getuige zelf nam niet deel aan het consolament.

Vijftien jaar geleden was Pons Daydé van Pradelles dodelijk ziek. Ik ging hem in zijn huis bezoeken. Daar zag ik Pierre Pollan met drie of vier andere Bons Hommes voor de zieke staan en hem het consolament toedienen. Zelf nam ik niet aan deze plechtigheid deel.

Et erant tunc in domo predicta cum hereticis et cum infirmo quando ipse testis intravit Petrus Rubei de Altopullo sororius ipsius infirmi et Guillelmus Simfre de Carcassona et alius qui ibat cum ipso Guillelmo Sinfre quem ipse testis non cognovit, et P. Audebertus de Pradellis et P. Daide pater infirmi et B. Daide et Arnaldus Daide fratres infirmi et B. Bonetus et Cerdana uxor Petri Deodati et Brunissendis uxor Petri Rubei et Peirona mater ipsius infirmi. Interrogatus dixit quod non adoraverunt [adoravit ?] dictos hereticos, nec alii ipso teste vidente, quia statim ipse testis exivit inde. Adiecit etiam se audivisse dici a fratribus ipsius infirmi quod idem infirmus reddi- (Fol. 130 v°) -derat se hereticis. De tempore quindecim anni.

En toen de getuige binnenkwam, waren in dat huis met de ketters en de zieke : Pierre Roux van Hautpoul die de schoonbroer was van de zieke, Guillaume Siffre van Carcassonne en diens begeleider die de getuige niet kende, Pierre Audebert van Pradelles,  Bernard Daydé vader van de zieke, diens broers Bernard en Arnaud Daydé, Bernard Bonnet, Cerdane de echtgenote van Pierre Daydé, Brunissende echtgenote van Pierre Roux en tenslotte Peironne moeder van de zieke. Daarover ondervraagd zegt getuige dat hij de ketters niet had aanbeden, en dat ook niet de anderen had zien doen vermits hij onmiddellijk  was weggegaan. Hij voegt eraan toe later van de broers van de zieke gehoord te hebben dat deze zich aan de ketters had gegeven. Dat gebeurde 15 jaar geleden.

Tijdens die plechtigheid waren volgende personen aanwezig: … (Inquisiteur : Hebt gij of de anderen die ketters aanbeden ?) Nee, ikzelf niet, en ook de anderen heb ik dat niet zien doen want ik ben onmiddellijk weggegaan. Later heb ik echter van de broers van de zieke gehoord dat deze het consolament heeft ontvangen.

Item dicit quod cum discordia esset inter ipsum testem et fratrem ipsius testis ex parte una et B. Daide et filios eius ex altera, convenerunt insimul ipse testis et Raimundus Orre et Arnaldus Orre fratres ipsius testis et Petrus Orre pater ipsius testis et B. Daide et Arnaldus Daide et P. Daide filii ipsius Bernardi, et venerunt omnes insimul, in domum ipsius B. Daide predicti. Et cum fuissent ibi invenerunt ibi Petrum Polanum et alios quator hereticos. Et ibi manu et potestate ipsorum hereticorum ipse testis et alii omnes predicti fecerunt inter se pacem et concordiam invicem, et in signum pacis dederunt sibi adinvicem osculum.

Hij zegt dat, toen er ruzie was tussen hem en zijn broer enerzijds en Bernard Daidé en diens zonen anderzijds, zij samenkwamen in een vergadering met hemzelf, zijn broers Raimond en Arnaud Orre, zijn vader Pierre Orre, diens zonen Bernard, Arnaud en Pierre Daydé, in het huis van Bernard Daydé. En toe ze daar waren, zagen ze daar Pierre Pollanen vier andere ketters.En daar in handen en gezag an die ketters, verzoenden zij zich met elkaar, en als teken van vrede gaven ze elkaar de kus.

Toen mijn broer en ik veertien jaar geleden ruzie hadden met Bernard Daydé en zijn zonen, hebben we in zijn huis vergaderd met …. en in aanwezigheid van Pierre Pollan en vier andere Bons Hommes. Gehoorzamend aan hun gezag verzoenden wij ons met elkaar en gaven elkaar de vredeskus.

Et interfuerunt reformationi illius pacis Petrus Arquimbaudi et B. Arquibaudi fratres et Arnaldus Gairaudi et Rogerius Gairaudi fratres et Guillelmus (Fol. 131 r°) Sinfre de Carcassona et alius qui ibat cum eo quem ipse testis non cognovit (et vocabatur vel Raimundus B. vel P.B. secundum quod ipse testis credit), et P. Rubeus et B. Boneti et Arnaldus Audebertus et filii eius Petrus Audebertus et B. Audebertus. Et ibi omnes, tam ipse testis quam alii, adoraverunt dictos hereticos ut predictum est. De tempore quatordecim anni sunt.

Namen deel aan die verzoeningsvergadering : de gebroeders Pierre en Bernard Arquimbaud, de gebroeders Arnaud en Roger Gairaud, Guillaume Siffre van Carcassonne en diens begeleider die de getuige niet kent (en waarvan hij denkt dat die ofwel Raimond-Bernard of Pierre-Bernard noemt), Pierre Roux, Bernard Bonnet, Arnauld Audebert en diens zonen Pierre en Bernard. En daar aanbaden allen, zowel de getuige als de anderen, de ketters op de reeds gezegde wijze. Sindsdien zijn 14 jaar verlopen.

Volgende personen namen ook deel aan deze verzoeningsvergadering : … Iedereen betoonde eer aan de Bons Hommes.

Item dicit se vidisse pluries in cabanis hereticorum in nemore Martror et Arnaldum de Sallelis et Raimundam filiam Arnaldi Audeberti de Vilaregada hereticos. Et erant ibi Arnaldus Audebertus et P. Audeberti et B. Audebertus filii ipsius Arnaldi Audeberti et Arnaldus Daide et P. et B. Daide fratres. Interrogatus dixit quod non adoraverunt eos ipse testis nec alii ipso teste vidente. Adiecit etiam quod P. Audeberti et B. Audeberti fratres et Arnaldus pater eorum (Fol. 131 v°) et Belletus uxor Arnaldi Audeberti tenebant ibi prefatos hereticos et transmittebant eis frequenter ad comedendum. De tempore quod sunt decem vel duodecim anni.

Hij zegt in de boshutten van de ketters meerdere keren gezien te hebben : de ketters Martror, Arnaud van Sallèles en Raimonde de dochter van Arnauld Audebert van Villerouat. En daar waren eveneens aanwezig : Arnauld Audebert en diens zonen Pierre en Bernard, en Arnaud Daidé met zijn broers Pierre en Bernard. Daarover ondervraagd zegt getuige hen niet aanbeden te hebben en dat hij het de anderen niet heeft zien doen. Hij voegt toe dat de gebroeders Pierre en Bernard Audebert en hun vader Arnauld, en diens vrouw Belletus, deze ketters daar onderhielden en hun regelmatig voedsel brachten. Sindsdien zijn 10 of 12 jaar verlopen.

Ongeveer 10 à 12 jaar geleden zag ik in de boshutten van de ketters de Bons Hommes …Eveneens aanwezig waren : ….(Waarschijnlijke inquisiteursvraag : Hebt gij of de anderen die ketters aanbeden ?) Nee, ikzelf niet, en ook de anderen heb ik dat niet zien doen want ik ben onmiddellijk weggegaan. De ketters werden onderhouden door … die hun regelmatig voedsel brachten.

Item dixit quod Gausbertus de Clitz venit ad ipsum testem et rogavit ipsum testem quod ipse testis iret et associaret hereticos simul cum ipso Gausberto et cum Petro Aonda de Sancto Poncio usque ad Lauranum. Et tunc ipse testis dixit eidem Gausberto de Clitz quod libenter associaret dictos hereticos. Et tunc ipse testis et idem Gausbertus de Clitz venerunt ambo in nemus super Altum Pullum, et invenerunt ibi Aimericum de Colleto et P. Capellanum et Sicardum de Lunello et socios eorum hereticorum [ hereticos ?], et cum eis Petrum Aonda de Sancto Poncio. Et cum fuissent insimul venerunt omnes pariter usque ad Lauranum et intraverunt domum Petri textoris qui cecus est. Et invenerunt ibi alios hereticos octo vel novem, et steterunt in dicta domo (Fol. 132 r°) omnes predicit heretici et ipse testis et P. Aonda de Sancto Poncio et Gausbertus de Clitz per duos dies.

Hij zei dat Gausbert van Clix hem bezocht en hem vroeg om samen met hem en Pierre Onde van Saint-Pons ketters te begeleiden tot in Laure. De getuige antwoordde Gausbert van Clix dat hij dat graag zou doen. Vervolgens gingen getuige en die Gausbert van Clix naar een bos gelegen boven Hautpoul, en daar vonden ze Aymeric van Collet, Pierre Capelle, Sicard van Lunel en hun ketterse metgezellen, en in hun gezelschap eveneens Pierre Onde van Saint-Pons. En toen ze daar waren, gingen ze allemaal tegelijk naar Laure en gingen binnen in het huis van Pierre de Wever, die blind was. En daar kwamen nog andere ketters bij, acht of negen, en ze bleven gedurende twee dagen allen in dat huis samen met Pierre Onde van Saint-Pons en Gausbert van Clix.

Drie jaar geleden kreeg ik het bezoek van Gausbert van Clix die me vroeg om samen met hem en Pierre Onde enkele Bons Hommes naar Laure te begeleiden. Ik stemde met plezier in op dat voorstel. We trokken samen naar een bos gelegen boven Hautpoul. Daar vonden we de Bons Hommes…  en in hun gezelschap Pierre Onde. Samen reisden we naar Laure. We werden daar ontvangen in het huis van de blinde wever Pierre. Nog acht of negen andere Bons Hommes voegden zich daar bij ons. We verbleven daar allemaal samen gedurende twee dagen.

Et erant in domo dicta prefatus P. textor cecus et uxor eius. Et ibi ipse testis et Gausbertus de Clitz et P. Aonda cotidie comedebant cum ipsis hereticis in eadem mensa et de pane ab eis benedicto et aliis…. « benedicat ». Et ibi omnes, tam ipse testis quam alii predicti adoraverunt ipsos hereticos pluries sicut dictum est. Adiecit etiam se vidisse quod Arnaudus Miroaudi de Laurano venit semel ad ipsos hereticos et aportavit eis aliquid, tamen ipse testis nescit quid, quia ipse testis et P. Aonda et Gausbertus stabant infra quandam cameram inclusi, et heretici extra in alia domo magna. Interrogatus si Petrus textor cecus et uxor eius adoraverunt ipsos hereticos, dixit quod non ipso teste vidente.  Item interrogatus si aliqui vel aliquis (Fol. 132 v°) de ipso castro de Laurano venerunt in domum predictam ad videndum ipsos hereticos, dixit quod ipso teste vidente.

In dat huis waren de blinde Pierre de Wever en diens echtgenote. En daar aten de getuige en Gausbert van Clix en Pierre Onde dagelijks met die ketters aan dezelfde tafel  van het brood dat door hen was gezegend en andere… « Benedicat » En daar aanbaden allen, zowel de getuige zelf als de andere vernoemden, die ketters meerdere keren op de gekende wijze. Hij voegt eraan toe dat hij ooit Arnaud Miroaud van Laure diezelfde ketters heeft zien bezoeken en dat deze hen iets bracht, maar hij niet wist wat, omdat hijzelf en Pierre Onde en Gausbert in een gewelf waren opgesloten en de ketters zich ergens anders in het grote huis bevonden. Ondervraagd of de blinde Pierre de Wever en diens vrouw diezelfde ketters aanbaden, zei hij dat niet zelf gezien te hebben. Ondervraagd of iemand vanuit hetzelfde castrum van Laure naar dat huis gekomen was om die ketters te zien, zegt hij dat gezien te hebben.

Samen met de eigenaar en zijn vrouw aten we dagelijks met de Bons Hommes aan dezelfde tafel van het brood dat zij gezegend hadden. Meerdere keren betuigden wij de Bons Hommes eer. Arnaud Miroaud van Laure bracht ons eens een bezoek en had iets voor de Bons Hommes bij. Ik weet niet wat dat was want samen met de andere agenten zat ik toen opgesloten in een andere kamer van het grote huis. Ik heb niet gezien dat de wever en zijn vrouw de Bons Hommes eer hebben betuigd. Ik heb wel gezien dat er nog andere dorpsbewoners naar dat huis zijn gekomen om de Bons Hommes te zien.

Adiecit etiam quod elapsis diebus predictis ipse testis et Gausbertus de Clitz et P. Aonda de Sancto Poncio et heretici prefati cum quibus venerunt exierunt inde, et tres vel quator homines de Laurano, quos ipse non cognovit. De nocte eduxerunt a castro de Laurano per duas portas castri, et duxerunt eosdem hereticos et ipsum testem et alios usquequo fuerunt extra parietem dicit castri. Et cum fuissent procul a castro per ictum balliste, acceperunt comitatum ab hereticis et redierunt retro. Et ipse testis et Petrus et Gausbertus de Clitz et heretici insimul venerunt usque in montanis, et cum fuissent ibi comederunt omnes insimul in eadem mensa de pane ab hereticis benedicto et aliis… (Fol. 133 r°)…. « benedicat ».

Hij voegt eraan toe dat na die twee dagen, hijzelf, Gausbert van Clix en Pierre Onde van Saint-Pons, en de ketters met wie ze gekomen waren, daar weggingen, begeleid door drie of vier mannen van Laure die de getuige niet kende. Tijdens de nacht werden ze uit het castrum van Laure geleid door twee verschillende poorten en ze bleven bij hen totdat ze buiten de muren waren. Op een boogscheut van het castrum verwijderd,  kregen ze de vrijgeleide van de ketters en keerden terug. De getuige zelf en Pierre en Gausbert van Clix keerden samen met de ketters helemaal terug tot in de bergen, en toen ze daar waren toegekomen, aten ze allen aan dezelfde tafel van het door de ketters gezegende brood en andere gerechten …. « Benedicat ».

Na twee dagen gingen we met dezelfde agenten en de Bons Hommes waarmee we waren aangekomen, weg uit Laure. We werden begeleid door drie of vier dorpsbewoners die ik niet ken. We verlieten Laure door twee verschillende poorten. De dorpsbewoners bleven bij ons totdat we op een boogscheut van het castrum waren verwijderd, en zij vrijgeleide kregen van de Bons Hommes om terug te keren. We gingen terug naar de bergen en aten vervolgens met de Bons Hommes aan dezelfde tafel van het brood en de andere gerechten die zij gezegend hadden.

Et post venerunt omnes insimul Altumpullum in domum ipsius testis et fratrum ipsius testis. Et comederunt ibi prefati heretici et ipse testis et P. Aonda et Gausbertus de Clitz cum eis in eadem mensa de pane benedicto… benedicat ». Et venerunt ibi ad videndum ipsos hereticos Raimundus de Cella Vinaria qui vocatur Bocassa et Raimundus de Miravalle, et locuti fuerunt cum ipsis hereticis aliquamdiu, et postmodum exierunt inde et abierunt viam suam. Interrogatus dixit quod non adoraverunt eosdem hereticos ipso teste vidente. Dixit ta- (Fol. 133 v°) -men quod tunc non erat ibi P. Aonda quia alibi iverat pro emendis moutonis vel arrietibus.

En daarna gingen ze allen tegelijk naar Hautpoul in het huis van de getuige en diens broer.  En zij aten daar samen -de ketters, de getuige zelf, Pierre Onde en Gausbert van Clix- aan dezelfde tafel van het gezegende brood… « Benedicat ».  En daar kwamen Raimond van Livinière, die Bocassa wordt genoemd, en Raimond van Miraval, die een tijdje met die ketters spraken en daarna daar weggingen en hun weg vervolgden. Daarover ondervraagd zei getuige niet gezien te hebben of zij de ketters hadden aanbeden. Maar hij zei dat Pierre Onde daar niet bij was omdat hij zich ergens anders bevond om schapen of koeien te kopen.

Vervolgens gingen we allemaal naar het huis van mij en mijn broer te Hautpoul. Daar aten wij samen met de Bons Hommes aan dezelfde tafel en van het door hun gezegend brood. We kregen het bezoek van … die een tijdje met de Bons Hommes praatten en daarna weggingen. Ik heb niet gezien of deze bezoekers de Bons Hommes eerbiedig begroetten. Pierre Onde was er toen niet bij want hij was schapen of koeien gaan kopen.

Adiecit etiam quod in mane prefati heretici abierunt inde et tenuerunt viam suam versus Albigesium. Et associaverunt eos Arnaudus Orre frater ipsius testis et B. Furnerii de Altopullo et B. Combes et Arnaldus Boneti et Arnaudus Potelli et Guillelmota qui vocatur Guillelmus Ermengavus et Vasco, omnes de Altopullo. Inter-rogatus dixit quod ipse testis non adorevit ipsos hereticos nec alii ipso teste vidente. De tempore hoc anno circa messes fuerunt tres anni.

Hij voegt eraan toe dat die ketters daar s’morgens weggingen en hun weg namen naar de Albigeois. Ze werden vergezeld door : Arnaud Orre de broer van de getuige, Bernard Fournier van Hautpoul, Bernard Combes, Arnauld Bonnet en Guillemotte die Guillaume Ermengaud wordt genoemd, en Vasco, allen van Hautpoul. Daarover ondervraagd zei de getuige niet zelf die ketters te hebben aanbeden en dat ook niemand anders te hebben zien doen. Vanaf dat moment zullen tegen de oogsten van dit jaar ongeveer drie jaar verlopen zijn.

De Bons Hommes gingen ‘s morgens weg en trokken naar de Albigeois waarbij ze vergezeld werden door …, allen van Hautpoul. Ik heb deze Bons Hommes niet eerbiedig begroet. Ik heb dat ook niet gezien van de anderen.

Item dicit se vidisse apud Altumpullum in domo Bernardi Isarni et uxoris eius Aymericum de Colleto et Petrum Capellanum et socios eorum hereticos. Et predicaverunt ibi. Et interfuerunt sermoni eorum ipse testis et Raimundus de Cellavinaria et Preboide de Miravalle et R. de Miravalle frater eius et Guillelmus Petri de Valleta miles et Vasco (Fol. 134 r°) de Altopullo et Aladaicia uxor Bernardi Isarni. Et postquam ipse testis stetit ibi per aliquod intervallum, exivit inde et alii cum hereticis remanserunt. Interrogatus dixit quod non adoraverunt eos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore circa tres annos.

Hij zegt dat hij te Hautpoul in het huis van Bernard Isarn en diens echtgenote gezien heeft : Aimeric van Collet, Pierre Capelle en hun ketterse metgezellen. En zij predikten daar. Bij hun sermoen waren aanwezig: getuige zelf, Raimond van Livinière, Préboïde van Miraval, diens broer Raimond van Miraval, ridder Guillaume-Pierre van Valette, Vasco van Hautpoul, en Aladaïs de echtgenote van Bernard Isarn. En nadat getuige daar een zekere tijd was blijven staan, ging hij weg en de andere bleven bij de ketters. Daarover ondervraagd zei de getuige hen niet aanbeden te hebben, en dat niet gezien te hebben van de anderen. Sinds die tijd zijn er ongeveer 3 jaar voorbij.

Ongeveer drie jaar geleden zag ik in het huis van Bernard Isarn te Hautpoul volgende Bons Hommes :… Tijdens hun prediking waren aanwezig : … Zelf ging ik na enige tijd weg maar de anderen bleven bij deze Bons Hommes. Ik heb hen niet eerbiedig begroet, en heb dat ook de anderen niet zien doen. 

Item dicit se vidisse eosdem hereticos in domo Johannis Blanchi apud Altumpullum, qui predicabant ibi. Et interfuerunt sermoni eorum ipse testis et Arnaldus Orre frater ipsius testis et B. Combes et Johannes Barravi et Arnaldus Boneti et Guillelmus Costa et R. Ermengavus et W. Ermengavus fratres et Guillelmus Ermengavus qui vocatur Guillelmata et Durandus textor et Guillelmus Raines fratres et Guillelmus Benedictus et Arnaldus Guitart et Johannes Blanchi et Guillelma uxor eius, omnes de Altopullo. Et ibi omnes, tam ipse testis quam alii, adorave- (Fol.134 v°) -runt ipsos hereticos ut predictum est. Et hoc facto ipse testis et alii exierunt inde et abierunt viam suam, et heretici remanserunt. De tempore quod supra.

Hij zegt dezelfde ketters gezien te hebben in het huis van Jean Blanc te Hautpoul, waar zij predikten. Namen deel aan dit sermoen : de getuige zelf, zijn broer Arnauld Orre, Bernard Combes, Jean Barrau, Arnaud Bonnet, Guillaume Costa, de broeders Raimond en Guillaume Ermengaud, Guillelmus Ermengaud die men Guillemotte noemt, Durand de Wever, de gebroers Raines, Guillaume Benoît, Arnauld Guitart, Jean Blanc en diens echtgenote Guillemette, allen van Hautpoul. En iedereen, zowel de getuige zelf als de anderen, aanbaden die ketters zoals reeds gezegd. En daarna gingen de getuige en de anderen daar weg en namen hun weg, de ketters bleven. In dezelfde periode als hierboven.

In dezelfde periode zag ik dezelfde Bons Hommes in het huis van Jean Blanc te Hautpoul terwijl zij predikten. Volgende personen luisterden naar hun sermoen :…, allen van Hautpoul. Iedereen betuigde de Bons Hommes eer. Iedereen ging daarna weg behalve de Bons Hommes.

Item dixit quod Aimericus de Colleto et socius eius heretici venerunt Altumpullum. Et cum essent iuxta castra invenerunt ipsum testem in introitu castri, et tradiderunt eidem testi Sauram de Vallis et duas filias eius et Petrum Berengarium nepotem ipsius Saure de Vallis, et heretici intraverunt castrum de Altopollo. Et post paululum revenerunt ad ipsum testem et assumpserunt prefatas mulieres et tenuerunt viam suam cum eis, et intravenerunt castrum insimul. De tempore hoc anno in vindemiis preteritis fuit annus.

Hij zei dat Aimeric van Collet en diens ketterse metgezel naar Hautpoul kwamen. Wanneer ze in de buurt van het castrum waren, vonden ze de getuige aan de ingang daarvan, en vertrouwden hem Saura van Laval en haar twee dochters toe, en tevens haar neef Pierre Bérenger, en de ketters gingen mee het castum in. Dat gebeurde één jaar geleden te tellen vanaf de laatste wijnoogst.

Een jaar geleden, rond de wijnoogst,  kwamen Aimeric van Collet en zijn socius naar Hautpoul. Ik wachtte hen op aan de ingang van het castrum. Ze vertrouwden mij volgende personen toe :… De Bons Hommes gingen mee het castrum binnen.

Item dicit quod Petrus Boneti et socius eius heretici venerunt de nocte in domum Arnaldi Orre fratris ipsius testis, et pulsaverunt ad hostium, et frater ipsius testis aperuit eis hostium, et intraverunt domum. Et tunc prefati (Fol. 135 r°) heretici rogaverunt Arnadum fratrem ipsius testis quod emeret unam eminam de siligino ad opus ipsorum hereticorum. Et statim hoc facto heretici abierunt inde. Et Arnaldus Orri frater ipsius testis emit eisdem hereticus dictum bladum, et dedit eisdem hereticis ipsam eminam de siligine post aliquo dies. Interrogatus dixit quod non adoraverunt ipsos hereticos ipse testis nec frater ipsius testis. De tempore hoc anno circa messes.

Hij zegt dat de ketters Pierre Bonnet en diens metgezel ‘s nachts naar het huis van zijn broer Arnaud Orre kwamen, en op de deur klopten, waarna zijn broer die deur opende en ze binnenkwamen. En toen vroegen de ketters aan zijn broer Arnaud om voor hen één maat van tarwemeel te kopen. Dat gedaan gingen ze onmiddellijk weg. En zijn broer Arnaud Orre kocht het door de ketters gevraagde en overhandigde hen de maat tarwemeel enkele dagen later. Daarover ondervraagd zei hij dat ze die ketters niet aanbaden, noch hijzelf, noch zijn broer. Dat gebeurde datzelfde jaar rond de oogsttijd.

In hetzelfde jaar rond de oogsttijd kwamen de Bon Homme Pierre Bonnet en zijn gezel naar het huis van mijn broer. Ze klopten aan en mijn broer liet ze binnen. De Bons Hommes vroegen aan mijn broer om voor hen een maat tarwemeel te kopen waarna ze onmiddellijk weggingen. Mijn broer deed het nodige en bezorgde hen enkele dagen later het tarwemeel. Géén van ons beiden heeft de Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Barravi Villamagna P. Vernadett [=Vernadel ?]et P. Amat hereticos. Et erant ibi Barravus Villamagna et Raimunda uxor eius et Bernarda et Nomais filie eorum et Johannes Barravi filius eorum. Et ibi ipse testis adoraverunt eosdem hereticos ut predictum est simul cum Barravo et uxore et filio et filiabus, et hoc facto ipse testis exivit inde et abiit viam suam. De tem- (Fol. 135 v°)  -pore quod sunt octo anni.

Hij zei in het huis van Barrau Villemagne de ketters Pierre Vernadel en Pierre Amat  te hebben gezien. En daar waren eveneens : Barrau Villemagne en diens echtenote Raimonde met hun dochters Bernarda en Nomaïs, en hun zoon Jean Barrau. En daar aanbaden ze die ketters zoals reeds gezegd, hijzelf samen met Barrau, diens vrouw en zoon en dochters. Dat gedaan vertrok hij daar en nam zijn eigen weg. Dat gebeurde acht jaar geleden.

In het huis van Barrau Villemagne heb ik de Bons Hommes .. gezien. Eveneens aanwezig waren : … Wij betoonden allen de Bons Hommes rituele eer. Vervolgens ging ik weg.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Barravi Villamagna Martror et Arnaldum de Sallelis socium suum hereticum. Et erant ibi Barravus Villamagna et Raimunda uxor eius et Johannes Barravi et Bernarda et Nomais filii eorum. Et post paulum ipse testis exivit inde et tenuit viam suam. Interrogatus dixit quod ipse testis non adoravit eosdem hereticos nec alii ipso teste vidente. De tempore quod supra.

Hij zei dat hij in het huis van Barrau Villemagne te Hautpoul Martror en zijn ketterse metgezel Arnauld van Sallèles had gezien. En daar waren Barrau Villemagne en diens echtgenote Raimonde en hun kinderen Jean, Bernarda en Nomais. Kort daarna is de getuige vertrokken en ging zijn eigen weg. Daarover ondervraagd zei de getuige die ketters niet te hebben aanbeden, noch dat hij dat van de anderen had gezien. In dezelfde periode als hierboven.

In dezelfde periode zag ik in het huis van Villemagne te Hautpoul de Bon Homme Martror en zijn socius Arnauld van Sallèles, samen met het volledige gezin van Barrau. Kort daarna ben ik weggegaan. Ik heb deze Bons Hommes geen rituele eer betoond en dat ook de anderen niet zien doen.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Barravi Villamagna Stephanum diachonum hereticorum de Centenonensi et socium suum hereticorum. Et aportave-runt ibi pisces de partibus Centenonensibus. Et erant ibi Barravus Villamagna et Raimunda uxor eius et Johannes Barravi et Bernarda et Nomais et filii eorum. Et post paululum ipse testis exivit (Fol. 136 r°)  inde et abiit viam suam. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos nec alii ipso teste vidente. De tempore circa octo annos.

Hij zei in het huis van Barrau Villemagne te Hautpoul de ketterse diaken Estève van Cessenon te hebben gezien en diens metgezel. Ze brachten vis mee vanuit het land van Cessenon. Daar waren Barrau Villemagne en diens echtgenote, en hun kinderen Jean, Bernarda en Nomais. Korte tijd later vertrok de getuige en ging zijn eigen weg. Daarover ondervraagd zegt hij dat hij die ketters niet heeft aanbeden en dat ook niet anderen heeft zien doen. Dat was acht jaar geleden.

Acht jaar geleden zag ik in dat huis van Villemagne de diaken Estève van Cessenon en zijn socius. Ze brachten vis mee vanuit dat land. Korte tijd later ging ik weg. Ik heb deze ketters geen rituele eer betoond. Ook de leden van het gezin heb ik dat niet zien doen.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Barravi Villamagna Bernardum de Lieuco et socios suos hereticos. Et erant ibi Petrus den Auriol de Clitz et Barravus Villamagna et Raimunda uxor eius et Johannes Barravi et Bernarda et Nomais filii eorum. Et tunc prefati monuerunt et induxerunt Petrum den Auriol quod veniret ad hereticos et faceret penitentiam et esset bonus homo. Et ad ultimum idem P. den Auriol promisit se facturum quod ipsi heretici postulabant. Et tunc hoc audito heretici prefati rogaverunt ipsum testem ut ipse testis duceret ipsum P. den Auriol ad totam feram [ =Rocamferam] de Cabardesio, ubi dicti heretici debebant reci Pèire et consolare ipsum P. den Auriol. Et ipse testis adoravit ipsos hereticos (Fol. 136 v°) ut predictum est.

Hij zei in het huis van Barrau Villemagne te Hautpoul Bernard van Leuc en zijn ketterse metgezellen te hebben gezien. En daar waren :  Pierre den Auriol van Clix, Barrau Villemagne en zijn echtgenote Raimonde en hun kinderen Jean, Bernarda en Nomais. En toen toonden en overtuigden zij Pierre den Auriol om bij de ketters te komen en om boete te doen en een goede man te zijn. En uiteindelijk beloofde Pierre den Auriol om te doen wat die ketters hem vroegen. En na dat gehoord te hebben, vroegen de ketters aan de getuige om persoonlijk Pierre den Auriol naar Roquefère-Cabardès te leiden, waar de ketters hem moesten ontvangen en het consolament toedienen. En de getuige aanbad die ketters op de wijze zoals reeds gezegd.

Zeven jaar geleden zag ik in het huis van Villemagne de Bon Homme Bernard van Leuc en zijn gezellen. Daar waren aanwezig : … De Bons Hommes overtuigden Pierre den Auriol om zich bij hen aan te sluiten, boete te doen en een goede man te zijn. Pierre den Auriol gaf uiteindelijk toe. De Bons Hommes vroegen mij om hem te begeleiden naar Roquefère waar hij het consolament zou krijgen. Ik betoonde hen rituele eer.

Interrogatus si Petrus den Auriol et alii adoraverunt ipsos hereticos, dixit quod non ipso teste vidente. Item interrogatus si ipse testis duxit P. den Auriol apud Rocamseram (14) ad ipsos hereticos, dixit quod non, quia antequam venisset dies in quam debuit illuc accedere cum Petro den Auriol, idem P. fuit interfactus [ interfectus]in loco ubi iverat predendum. De tempore septem anni.

Op de vraag of Pierre den Auriol en de anderen die ketters aanbaden, zegt de getuige dat niet zelf gezien te hebben. Op de vraag of hijzelf Pierre den Auriol naar Roquefère bij de ketters leidde, antwoordde hij neen, omdat, vooraleer de dag kwam dat hij met Pierre den Auriol daar naartoe moest gaan, deze laatste gedood werd in een plaats waar hij ging roven. Dat was 7 jaar geleden.

Ik heb niet gezien of Pierre den Auriol of de anderen die Bons Hommes rituele eer hebben betoond. Nee, ik heb die opdracht niet uitgevoerd want Pierre den Auriol werd voordien gedood tijdens een rooftocht.

Item dixit quod, quadam nocte cum ipse testis comedebat, venerunt in domum ipsius testis Aimericus de Colleto et socium suum hereticos, et intraverunt domum ipsius testis apud Altumpullum. Et erant in domo simul cum ipso teste Guillelma amasia ipsius testis et Bernarda filia Barravi Villamagna. Et post paulum heretici prefati exiverunt inde et intraverunt castrum de Altopullo. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos (Fol. 137 r°) ipse testis nec prefate mulieres ipso teste vidente. De tempore quod sunt duo anni.

Hij zei dat, op een avond terwijl hij at, de ketters Aimeric van Collet en zijn metgezel zich naar zijn huis te Hautpoul begaven en binnen kwamen. En in zijn huis waren samen met de getuige diens concubine Guillemette en Bernarda, de dochter van Barrau Villemagne. Korte tijd later verlieten de ketters zijn huis en begaven zich in het castrum van Hautpoul. Daarover ondervraagd zei hij die ketters niet aanbeden te hebben en ook niet gezien te hebben of de vrouwen dat deden. Dat gebeurde 2 jaar geleden.

Twee jaar geleden, tijdens mijn avondmaaltijd, kwam de Bon Homme Aimeric van Collet en zijn gezel mijn huis te Hautpoul binnen. Bij mij waren : … Korte tijd later verlieten de Bons Hommes ons en begaven zich in het castrum. Ik heb deze Bons Hommes geen rituele eer betoond en ook de vrouwen hebben dat niet gedaan.

Item dixit quod ipse testis ad instantiam Martro heretici ivit Altumpullum et apportavit inde Petrum de Podio hereticum quem tradidit Barravus Villamagna et Johannes filius eius apud mansum de Lapeleda extra Altumpullum. Et portavit ipse testis hereticum supradictum cum bestia ipsius testis usque iuxta Pradellas. Et recepit ibi idem Martror ipsum hereticum, et propter hoc habuit ipse testis ab eodem Martror heretico solidos Malgorienses. Et statim ipse testis recessit ab eisdem. Interrogatus dixit quod non adoravit eos ipse testis. De tempore quod sunt quatordecim anni.

Hij zei dat hij op verzoek van de ketter Martror naar Hautpoul ging en de ketter Pierre Delpech meebracht, die hem was toevertrouwd door Barrau Villemagne en zijn zoon Jean in de nabijheid van de Mas van Lapelade buiten Hautpoul. En hij bracht die ketter met zijn eigen dier tot in Pradelles. En daar ontving Martror deze ketter en kreeg de getuige drie Melgioriaanse munten van hem. De getuige liet ze onmiddellijk alleen. De ondervraagde zei dat hij ze niet aanbeden had. Dat vond 14 jaar geleden plaats.

Veertien jaar geleden ging ik op verzoek van de Bon Homme Martror naar Hautpoul. Ik bracht de Bon Homme Pierre Delpech mee die mij werd toevertrouwd door Barrau Villemagne en zijn zoon nabij de Mas van Lapelade buiten Hautpoul. Ik bracht de Bon Homme met mijn dier naar Pradelles. Van Martror kreeg ik daarvoor drie Melgoriaanse munten. Ik liet ze onmiddellijk alleen. Ik heb ze geen rituele eer betoond.

Item dixit se vidisse multotiens quod Raimundus Vitalis de Conchis venit in cabanas hereticorum. Et Petrus Vitalis filius (Fol. 137 v°) Raimundi de Larroca venit semel ad cabanas hereticarum super Pradellas. Et loquebantur cum hereticabus, sed non adorabant eas. De tempore decem anni.

Hij zei dat hij dikwijls Raimond Vital van Conques naar de cabanes van de ketter had zien gaan. En  Pierre Vital, de zoon van Raimond van Laroque, kwam eenmaal naar de cabanes van de ketters boven Pradelles. En zij spraken met de ketters maar aanbaden hun niet. Dat gebeurde 10 jaar geleden.

Tien jaar geleden zag ik Raimond Vital van Conques dikwijls naar de cabanes van de Bonnes Hommes en Bonnes Femmes te Pradelles trekken. Ook Pierre Vital bezocht hen eenmaal. Zij spraken met de ketters maar betoonden hun geen rituele eer.

Item dixit se vidisse quod Stephanus Raimundi de Clitz et Petrus Bordarias de Clitz veniebant sepe in montana de Pradellas, ad Petrum Pollanum et alios hereticos. Et isti duo erant nuncii hereticorum. De tempore quod supra.

Hij zei gezien te hebben dat Estève-Raimond van Clix en Pierre Bordier van Clix dikwijls naar de bergen van Pradelles kwamen, naar Pierre Pollanen andere ketters. En die twee waren agenten van de ketters. In dezelfde periode als hierboven.

In dezelfde periode kwamen Estève-Raimond en Pierre Bordier van Clix naar Pradelles. Deze twee agenten bezochten Pierre Pollanen de andere Bons Hommes en Bonnes Femmes.

Item dixit se vidisse quod Poncius Gauffredi de Manso de Cabardesio venit ad cabanas hereticorum, ad Petrum Pollanum et alios hereticos. Et duxit inde secum P. Pollanum et socium suum hereticum. Et ipse testis et Arnaldus Daide associaverunt eos usque ad Faiolam. Et cum fuissent ibi, ipse testis et Ar- (Fol. 138 r°) -naldus recesserunt ab eis et redierunt retro. Et Poncius Gauffredi et heretici abierunt viam suam. Interrogatus dixit quod non adoraverunt eos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore quod sunt circa novem anni.

Hij zei gezien te hebben dat Pons Jauffré van Mas-Cabardès naar de cabanes van de ketters kwam, bij Pierre Pollanen de andere ketters.  Hij begeleidde Pierre Pollanen diens ketterse metgezel. De getuige en Arnauld Daydé begeleidden hen verder tot in Fajolle. Toen ze daar waren aangekomen, verlieten de getuige en Arnauld hen en keerden terug. En Pons Jauffré en de ketters gingen hun eigen weg. De ondervraagde zei dat hij de ketters niet aanbeden had en dat ook niet gezien te hebben van de anderen. Sinds die tijd zijn ongeveer negen jaar verlopen.

Negen jaar gelden kwam Pons Jauffré van Mas-Cabardès naar de cabanes van de Bons Hommes en Bonnes Femmes te Pradelles. Hij begeleidde daarbij Pierre Pollanen zijn socius. Mijn broer en ik begeleidden deze verder tot in Fajolle, waar wij ze achterlieten en terugkeerden. Pons Jauffré en de Bons Hommes trokken verder. Niemand heeft deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit quod cum ipse testis et Guillelmota qui vocatur Guillelmus Ermengaus et B. Michaelis de Altopullo ibant spaciatum, invenerunt casu fortuito in nemore Aymericum de Colleto et socium suum hereticum et Adam Furnerium de Altopullo cum eis. Et tunc idem Aymericus de Colleto tenebat quendam librum apertum in manu et legebat. Et statim ipse testis et alii qui venerant simul cum ipso teste abierunt viam suam. Et heretici cum Adam Furnerii remanserunt. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore quod sunt duo anni.

Hij zei dat hij tijdens een wandeling met Guillelmotte, die Guillaume Ermengaud wordt genoemd, en met Bernard-Michel van Hautpoul, bij toeval in het bos Aimeric van Collet, diens ketterse metgezel en Adam Fournier aantrof. Aimeric van Collet hield toen een open boek in de hand en las. En onmiddellijk verlieten de getuige en de anderen die met hem waren meegekomen hen en gingen hun eigen weg. En de ketters bleven daar met Adam Fournier. De ondervraagde verklaarde die ketters niet aanbeden te hebben, en dat ook niet gezien te hebben van de anderen. Sinds die tijd zijn twee jaar verlopen.

Twee jaar geleden ontmoette  ik tijdens een boswandeling met Guillelmotte en Bernard-Michel bij toeval de Bons Hommes … Aimeric van Collet hield een boek in de hand waaruit hij las. Wij gingen onmiddelllijk verder en de Bons Hommes bleven daar met Adam Fournier. Niemand van ons heeft deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit quod ipse testis et Arnaldus Dai- (Fol 138 v°) -de duxerunt Bernardum de Lieuco et socium suum hereticos a Pradellis usque ad Montem Leiderium. Et cum fuissent ibi intraverunt domum Rogerii de Cabareto. Et deterunt ibi una nocte et comederunt et iacuerunt ibi. Et erant ibi Austorga uxor Rogerii de Cabareto et Raimundus filius eius et filie eius cuius nomina ignorat. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente.

Hij zei dat hij met Arnauld Daydé de ketters Bernard van Lieuc en diens metgezel van Pradelles naar Montlédier had geleid. En toen ze daar waren aangekomen, gingen ze in het huis van Roger van Cabaret. En daar bleven ze één nacht en aten en sliepen er. En daar waren Austorgue de echtgenote van Roger van Cabaret en hun zoon Raimond en hun dochter wiens naam hij niet kende. De ondervraagde zei deze ketters niet zelf aanbeden te hebben en dat ook de anderen niet hebben zien doen .

Twaalf jaar geleden heb ik samen met Arnaud Daydé  de Bon Homme Bernard van Leuc en zijn socius van Pradelles naar Montlédier geleid. We verbleven daar in het huis van Roger van Cabaret, waar we aten en overnachtten. Daar waren aanwezig : … Niemand heeft deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit quod ipse testis non comedit ibidem cum ipsis hereticis. Dicit tamen quod in castrum ipse testis et Arnaldus Daide reduxerunt ipsos hereticos apud Pradellas. De tempore quod sunt circa duodecim annos.

Hij zei daar niet met die ketters gegeten te hebben. Maar hij zei dat hijzelf en Arnaud Daydé die ketters terugbrachten naar het castrum van Pradelles. Sinds die tijd zijn ongeveer 12 jaar verlopen.

Ik heb niet meegegeten met de Bons Hommes. We hebben ze de volgende morgen teruggebracht naar Pradelles.

Item dixit quod cum ipse testis esset in castro Montis Acuti in Albigesio, Raimundus de Viridario ostendit eidem testi extra Montem Acutum in quodam casali Aymericum de Colleto et socium tuum hereticos (et) venit ibi P. Boneti (Fol. 139 r°) qui modo est hereticus, cum quo ipsi heretici locuti fuerunt. Et post paululum ipse testis et Raimundus de Viridario recesserunt ab hereticis et redierunt in castrum Montis Acuti. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore circa quinque annos.

Hij zei dat, toen hij in het castrum van Montégut d’Albigeois was, Raimond van Verdier hem in een woonst buiten Montégut  Aimeric van Collet en diens ketterse metgezel toonde, (en) daar arriveerde Pierre Bonnet, die nu ook bon homme was, en waarmee de ketters zich onderhielden.  Kort daarna verlieten Raimond van Verdier en de getuige deze ketters en gingen terug naar het castrum van Montégut. De ondervraagde zei niet zelf deze ketters te hebben aanbeden en zei dat ook niet gezien te hebben van de anderen. Dat gebeurde ongeveer 15 jaar geleden.

Vijftien jaar geleden was ik in het castrum van Montégut d’Albigeois. Raimond van Verdier toonde mij in zijn woning Aimeric van Collet en zijn gezel. Vervolgens arriveerde Pierre Bonnet die nu ook Bon Homme was en waarmee de anderen praatten. Raimond en ik verlieten de Bons Hommes en keerden terug naar het dorp. Niemand heeft deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit se vidisse apud Pradellas quandam mulierem Valdensem que stetit ibi diutius, et induxit Bernardum Airoerium fratrem ipsius mulieris Valdensis verbis suis et monitionibus quod idem B. Airoerii recessit cum ipsa a castro de Pradellis et fecit Valdensem. De tempore circa octodecim annos.

Hij zei te Pradelles gezien te hebben dat  een waldenzische vrouwdaar lang verbleef, en dat zij haar broer Bernard Airoyer met haar woorden en haar vermaningen overtuigde om met haar weg te gaan uit het castrum van Pradelles en zich bij de waldenzen aan te sluiten. Sindsdien zijn ongeveer 18 jaar verlopen.

Achttien jaar geleden woonde  er lange tijd een waldenzische vrouw in Pradelles. Zij overtuigde haar broer Bernard Airoyer om samen met haar het dorp te verlaten en zich bij de waldenzen aan te sluiten.

Item dixit quod Peirona mater Arnaldi Daide et Bernardi et Petri Daide in infirmitate de qua mortua fuit reddidit se hereticis, tamen ipse testis non interfuit consolamento eius. Sed vidit ipse (Fol. 139 v°) testis Bermundam hereticam in domo ipsius infirme, que heretica serviebat eidem infirme in infirmitate sua. De tempore circa duodecim annos.

Hij zei dat Peironne, de moeder van Arnauld en Bernard en Pierre Daydé, zich tijdens de ziekte waaraan ze overleed, aan de ketters gaf, maar dat de getuige zelf niet deelnam aan haar consolament. Maar in het huis van die zieke zag hij de Bonne Femme Bermunde die de patiënt verzorgde tijdens haar ziekte. Dat gebeurde ongeveer 12 jaar geleden.

Twaalf jaar geleden gaf Peironne, moeder van .., zich tijdens een dodelijke ziekte aan de Bons Hommes. Ik nam niet deel aan dit consolament. Ze werd in haar huis verzorgd door de Bonne Femme Bermunde.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Guillelme Ermengave Arnaudum Ermengavum maritum ipsius Guillelme Ermengave hereticum et Aymericum de Colleto hereticum. Et erant ibi Guillelma Ermengava et Raimunda Ermengava mater Arnaudi Ermengavi herectici. Et post paululum ipse testis exivit inde et heretici remanserunt cum ipsis mulieribus. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore quod sunt quinque annos.

Hij zei te Hautpoul in het huis van Guillemette Ermengaud haar man Arnaud Ermengaud gezien te hebben, die ketter was, in gezelschap van de ketter Aimeric van Collet. En daar waren Guillemette Ermengaud en Raimonde Ermengaud, moeder van die ketter Arnaud Ermengaud. Kort daarna is de getuige daar weggegaan en de ketters bleven daar bij die vrouwen. De ondervraagde zei deze ketters zelf niet te hebben aanbeden en dat ook niet van de anderen te hebben gezien. Dat gebeurde 15 jaar geleden.

Vijftien jaar geleden zag ik in het huis van Guillemette Ermengaud te Hautpoul haar man Arnaud. Hij was Bon Homme geworden en was in het gezelschap van Aimeric van Collet. Daar waren tevens aanwezig :… Korte tijd later ben ik weggegaan.  De Bons Hommes bleven bij de vrouwen. Niemand heeft deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Item dixit quod ipse testis et Guillelmus Ermengus qui vocatur Guillelmota de Altopullo…[lacune]…usque in ripariam, et inviderunt ibi Poncium Arida de Vintro (Fol 140 r°) et Arnaldum de Sava de Castris, qui assumpserunt ipsos hereticos et tenuerunt cum eis viam suam. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore quod sunt quator annos.

Hij zei dat hijzelf en Guillelmote Ermengaud, die men Guillemota van Hautpoul noemt, …tot aan de oever, en daar Pons Aride van Vintrou zagen en Arnauld van Save van Castres, die zich bekommerden om de ketters en met hen hun eigen weg gingen. De ondervraagde zei deze ketter niet aanbeden te hebben en het ook niet gezien te hebben van iemand anders. Sinds die tijd zijn 4 jaar verlopen.

Samen met Guillemote (wandelde ?) ik vier jaar geleden tot aan de oever (van de rivier ?) en zag daar… die de Bons Hommes begeleidden. Niemand heeft deze Bons Hommes daar toen eer betoond.

Item dixit se vidisse apud Altumpullum in domo Barravi Villamagna Aimericum de Colleto et socius eius hereticos. Et erant ibi Barravus Villamagna et Raimunda uxor eius et Johannes et Bernarda et Nomais filie eorum, et Arnaldus Richerii de Narbona qui fugerat metu Inquisitionis. Et tunc idem Arnaldus Richerii recessit inde cum hereticis et tenuit cum eis viam suam. Interrogatus dixit quod non adoravit eosdem hereticos ipse testis nec alii ipso teste vidente. De tempore quod sunt septem annos.

Hij zei in het huis van Barrau Villemagne te Hautpoul Aimeric van Collet en zijn ketterse metgezel gezien te hebben. En daar waren Barrau Villemagne en zijn echtgenote Raimonde met hun kinderen Jean, Bernarda en Nomais, en Arnaud Richier van Narbonne die op de vlucht was uit angst voor de Inquisitie. En toen ging die Arnaud Richier met de ketters mee en volgde hun weg. De ondervraagde zie dat hij deze ketters niet  had aanbeden, en het ook niemand anders had zien doen. Dat gebeurde 7 jaren geleden.

Zeven jaar geleden zag ik in het huis van Barrau Villemange te Hautpoul Aimeric van Collet en zijn socius. Daar waren aanwezig : … en Arnaud Richier van Narbonne die op de vlucht was voor de Inquisitie. Arnaud Richier ging samen met de Bons Hommes weg. Niemand heeft daar toen deze Bons Hommes rituele eer betoond.

Interrogatus dixit se fuisse credentem hereticis ab annis discretionis sue ita (Fol. 140 v°) quod si moreretur in secta eorum crederet salvari.

De ondervraagde zei dat hij gelovig was in de leer van de ketters sinds hij onderscheid kon maken omdat hij geloofde gered te worden indien hij zou sterven in die sekte.

Ik geloof in de leer van de Bons Hommes sinds ik daarover onderscheid kan maken  en omdat ik geloof dat mijn ziel gered zal worden wanneer ik als lid van hun kerk sterf. 

Hec deposuit coram Fratre Petro Duranti et Fratre Ferrer, qui legit et publicavit omnia supradicta presente ipso teste, in presentia Arnaldi capellani de Saxiaco, Boni Mancipii et Guiraudi Trepati notarii qui hec scripsit.

Dit verklaarde hij voor de raad van Broeder Pierre Durand en Broeder Ferrer, die al het bovenvermelde voorlas in bijzijn van de getuige, van Arnaud de kapelaan van Saissac, van Boni Massip et Guiraud Trépat, de notaris die dit opschreef.

FINIS

Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress