Willy Vanderzeypen

03/01/2008

Documenten van het proces der tempeliers

Geplaatst onder: Documenten proces tempeliers — Willy Vanderzeypen @ 13:11

HISTORISCHE DOCUMENTEN

VAN HET PROCES TEGEN DE TEMPELIERS

Yves Van Buyten & Willy Vanderzeypen - 2003/4

Tijdens de voorbereiding van ons boek “De Tempeliers, de huurlingen van de paus‘ hebben wij meer documenten van het proces in het Nederlands vertaald dan degene die uiteindelijk in het boek werden gepubliceerd.  Die vindt u in deze rubriek terug.  Het zijn:

1. Het memorandum van Jacques de Molay, grootmeester van de tempeliers, aan paus Clemens V waarin hij het fusievoorstel tussen de orde van de tempel en van het hospitaal afwijst (1306).

2. De vragen van de Franse koning Filips de Schone aan de universitaire theologen van Parijs in verband met zijn rechten als koning in het proces tegen de tempeliers en hun mening over de schuld van de tempeliers (begin 1308).

3. Het antwoord van de universitaire theologen op de vragen gesteld in (2) (25 maart 1308).

4. Een anoniem advies waarvan de auteur advocaat Pierre Dubois was, een heftige verdediger van de voorrang van de koninklijke macht op die van de paus (begin 1308).

5. Het pamflet: Een vermaning van het volk aan de paus, eveneens geschreven door Pierre Dubois (1308).

6. Eerste redevoering van de legist Guillaume de Plaisians te Poitiers voor de paus (29 mei 1308).

7. Tweede redevoering van Guillaume Plaisians te Poitiers voor de paus. (14 juni 1308). Plaisians is de vertrouwensman van Guillaume de Nogaret, de eerste Franse politicus die beroep deed op de publieke opinie, volksvergaderingen organiseerde, pamfletten liet uitdelen en petitiecampagnes opzette. Nogaret is de grote man achter het dossier tegen de tempeliers en diende de koning met een diepe toewijding en een totaal gebrek aan scrupules.

Het volledige artikel kan u inkijken door hieronder op (meer…) te klikken. 

 

1. Het fusiememorandum van Jacques de Molay aan paus Clemens V (1306).

Zeer Heilige Vader, op de vraag die u mij stelt betreffende de fusie van de orde van de Tempel met het Hospitaal, antwoord ik, grootmeester van de Tempel, het volgende.

Wel zeker, ik herinner mij het concilie van Lyon, waar paus Gregorius met de heilige Lodewijk (1) aanwezig was, en waar nog vele andere kerkelijke en wereldlijke personen aanwezig waren zoals de toenmalige grootmeester van de Tempel, broeder Guillaume de Beaujeu, samen met nog vele andere oudere broeders van onze orde, en tevens zoals broeder Guillaume de Courcelles van de orde van het Hospitaal van Sint-Jan, samen met andere broeders en minder bekende personen van deze orde. De paus en de heilige Lodewijk wilden de meningen over een fusie horen, waarbij het hun bedoeling was om alle militair-religieuze orden tot één orde samen te voegen. Maar men antwoordde hen dat de koningen van Spanje (2) dat niet zouden goedkeuren vermits er bij hen drie (andere) militair-religieuze orden bestaan (3). Daarom besloot men dat het beter was dat elke orde apart zou blijven bestaan.

Tijdens het pausschap van Nicolaas IV en ten gevolge van het toenmalig verlies van het Heilige Land, hernieuwde of hernam de paus het fusieproject (4). Hij wilde zich daarmee in zekere zin excuseren en laten zien dat hij iets wilde doen aan de situatie van het Heilige Land. Want Romeinen en andere volkeren kloegen met nadruk dat hij onvoldoende hulp voor de verdediging naar het Heilig Land had gestuurd.

Vervolgens heeft ook paus Bonifatius er meerdere malen over gesproken, maar na alles in beschouwing te hebben genomen, verkoos hij volledig af te zien van de zaak, zoals u kan vernemen van enkele van de kardinalen uit zijn tijd.

Wat betreft de fusie van de orden, Heilige Vader, dient men de voordelen en nadelen af te wegen en de eer en de schandalen die er uit kunnen volgen.

In eerste instantie lijkt het mij niet eervol om nu over te gaan tot de vereniging van de orden, die zo oud zijn en die in het Heilige Land of elders dermate veel goed hebben gedaan. Want het valt te vrezen dat het tegenovergestelde zich zal voordoen van wat ze tot nu toe goed hebben gedaan. Zelden of nooit vernieuwt men iets zonder grote gevaren te veroorzaken.

Bovendien moet men zich vragen stellen over het gevaar voor de zielen. Ik zeg dit omdat het een zeer vijandige en harde manier is om een man, die zich spontaan gewijd heeft aan de habijt en de beoefening van het geloof van een orde, te dwingen van levenswijze en gewoonten te veranderen, of om te kiezen voor een andere orde, als hij daar geen zin in heeft.

Als men de orden zou verenigen, bestaat er een ander groot gevaar omwille van de verschillen die de mannen van elkaar scheiden. Men zou kunnen vrezen dat op aanstoken van de duivel de leden van de twee orden onder elkaar zouden gaan ruziën met de woorden :  ” Wij, wij zijn veel beter en doen het beter “. Door dit geschil zouden heel wat gevaren kunnen worden veroorzaakt, want de Tempeliers en de Hospitaalridders hebben wapens. En als het gerucht zich onder hen verspreidt, zou dat gemakkelijk aanleiding kunnen geven tot een ernstig schandaal.

Als men de orden verenigt, dan brengt dat mee dat de Tempeliers veel zouden inbrengen (5) of dat de Hospitaalridders onderworpen zouden worden aan beperkingen. Daaruit zou een gevaar kunnen voortkomen voor de zielen, want ik geloof dat er weinigen zijn die hun leven of gewoonten willen veranderen.

Als men de orden verenigt, zouden de aalmoezen en de bezittingen van de twee orden beduidend verminderen. Want de orde van de Hospitaalridders is gebaseerd op verpleging, de leden zijn ook soldaten en doen veel aan goed werk. De orde van de Tempeliers is specifiek meer gericht op militaire dienst, alhoewel de leden in al hun baljuwschappen en drie keer per week aan iedereen die dat wil een algemeen aalmoes geven en constant een tiende van hun brood aan de armen afstaan.

In het klooster geven ze aan twee broeders voldoende vlees om met het overschot twee armen te verzadigen. Waaruit volgt dat, indien men de twee orden verenigt, ze samen niet hetzelfde kunnen doen, zoals nu elk apart doet. En ik kan hetzelfde zeggen over de eredienst en de eredienstofficiers (6) .

In de steden en andere plaatsen waar de orden huizen bezitten, zou bij een fusie het ene huis verontachtzaamd worden en het andere huis voortbestaan. Elkeen zou willen dat het laatste het zijne was en dat zou kunnen leiden tot conflicten. En waar de twee orden elk een precepteur hebben, daar zou er slechts één van overblijven waardoor de andere aan hem onderhorig zou worden. Wegens ontevredenheid zou op die manier gemakkelijk onenigheid kunnen ontstaan.

Het klooster van het Hospitaal heeft een maarschalk, een commandeur en het kledingsverantwoordelijke. Hetzelfde bestaat in de orde van de Tempel. Er zouden grote rivaliteiten en conflicten uit kunnen ontstaan, want van de twee officieren zou elke orde de zijne in functie willen houden.

Indien iemand opwerpt dat de zogezegde rivaliteit tussen Tempeliers en Hospitaalridders door een fusie zou uitdoven, dan antwoord ik dat juist deze uitschakeling van rivaliteit de grootste schade aan het Heilige Land zou bezorgen, en een groot voordeel voor de Saracenen zou zijn. Want de rivaliteit heeft altijd eer en comfort bezorgd aan de christenen en het tegenovergestelde aan de Saracenen omdat tijdens een gewapende expeditie van de Hospitaalridders tegen de Saracenen ondertussen de Tempeliers enige rust vonden, die ze anders niet zouden gehad hebben, en ook omgekeerd.

Wanneer de Tempeliers aan de andere kant van de zee een groot transport van broeders, paarden of andere dieren uitvoerden, konden de Hospitaalridders enige rust vinden die ze anders niet gehad zouden hebben. Deze rivaliteit die altijd heeft bestaan, en nog steeds tussen hen bestaat, is van alle tijden. Ze is niet minder eervol en comfortabel voor de christenen dan schadelijk voor de Saracenen.

Wanneer één van de orden goede ridders en mannen met naam omwille van hun wapenfeiten en andere goede akties zal hebben, dan zal de andere altijd met alle macht ijveren om er nog betere te hebben. En als gevolg van die rivaliteit zal elk van de twee orden zonder onderbreking zoveel uitgeven, dat ze alle twee onder het gewicht van de zwaarste schulden zullen zwoegen. Waaruit volgens mij volgt dat, indien de twee orden één zullen zijn, ze niet zoveel moeite meer zullen doen in verband met dit onderwerp.

Door de rivaliteit en tegenstelling die tussen hen hebben bestaan, hebben ze nooit opgehouden tegen de Saracenen uit te rijden of elke andere operatie met gewapende hand uit te voeren. Beter gezegd, omwille van die rivaliteit deden ze dat nog meer en beter. Aan de andere kant van de zee heeft men nooit horen zeggen dat de ene tegen de andere geweld zou hebben gebruikt voor welke reden dan ook.

Een voorbeeld van het voorgaande verschijnt ook bij de predikheren en de minderbroeders, die gescheiden meer klerken hebben van uitstekende kwaliteit en grote naam, dan wanneer ze verenigd zouden zijn in één orde. Want de twee orden dwingen elkaar om de meest excellente mannen in hun rangen te hebben en sporen tijdens de misviering, het sermoen en de prediking van Gods Woord de hunne aan, waardoor alles eervol afstraalt in het voordeel van het christelijk volk.

Wanneer koningen, hertogen, graven en zelfs baronnen, volksmensen, pelgrimvaarders, of wie ook, naar het Heilige Land gaan en gewapend uitrijden tegen de Saracenen, dan is het altijd nuttig voor hen dat één van de twee orden vooraan meegaat en de wacht op zich neemt van wat men de ‘voorhoede’ noemt, terwijl de andere de wacht op zich neemt van wat men de ‘achterhoede’ noemt. Op die manier dekken ze de vreemden tussen hen, zoals een moeder dat met haar kind doet. Het is verstandig dat op die manier te doen omdat ze de gewoonten van de Saracenen kennen en omdat de Saracenen hun gevechtswaarde respecteren. Wie uitgereden is zonder hen, heeft dat moeten bekopen (7) , zoals ik zal rapporteren aan Uwe Heiligheid, indien hij dat wenst te horen. Dus, als de twee orden fusioneren, dan zal men anderen nodig hebben om de voorhoede of achterhoede te vormen.

De pelgrims van de Heer die in het Heilige Land vertoeven, wie ze ook zijn, groot of klein, vinden altijd verfrissing, steun en hulp bij één van de twee orden. Als er slechts één orde zou zijn geweest, dan hadden zij misschien niet zoveel comfort en volledige hulp gevonden. Ik zeg hetzelfde ook voor de bescheiden sergeanten die altijd bij één van de twee orden welkom waren.

Evenwel, het gemak en de voordelen die ik bij een fusie vaststel zijn de volgende.

Het is algemeen bekend dat alle staten vroeger gewend waren om ten aanzien van religieuzen een grote devotie te betonen. Dat lijkt tegenwoordig volledig veranderd te zijn, want men vindt meer mensen bereid om van de religieuzen te nemen  dan om aan hen te geven. Bijna iedereen krijgt liever meer schenkingen van hen, dan er zelf te doen. Het heeft hun heel wat schade toegebracht, op een continue wijze, zowel veroorzaakt door prelaten als door andere machtige en minder machtige mannen, door klerken en leken. Wanneer de fusie dus doorgaat, dan zal de orde dermate sterk en machtig zijn, dat ze haar rechten tegen eender wie kan en zal verdedigen (8).

Ik stel nog een ander voordeel vast : ze zullen minder uitgaven hebben. Want waar er nu twee hospitalen zijn, zal er nog maar één moeten blijven ; waar er twee precepteurs of baljuws zijn, zal er dan maar één meer zijn, ofwel in het kapittel aan de overkant van de zee, ofwel in de provincies en de huizen van Europa. En dat zou een grote verlichting van de kosten meebrengen.

In al het voorgaande, Heilige Vader, werden u de voor- en nadelen, de eer en oneer en de gevaren voorgesteld, die ik vaststel en voorspel bij een fusie. Telkens als het u uitkomt om de raad van ons kapittel en de rechtsschapen mannen van onze orde aan deze zijde van de zee te horen, zal ik hen samenroepen, desgewenst in uw aanwezigheid. En dan kan u de raad en goede wil van ons kapittel en de genoemde broeders aanhoren, en vervolgens wat betreft het voorgaande handelen op de wijze die Uwe Heligheid het beste en meest nuttige lijkt.

In het thuisland heeft men u verteld, Heilige Vader, dat religieuzen die onderworpen zijn aan gehoorzaamheid, beter aangepast en nuttig zouden zijn voor de herovering en het behoud van het Heilige Land dan anderen. Voorzeker, dat is waar omdat ze minder uitgeven en omdat ze in de huizen, de kampen en het gevecht gemakkelijker gehoorzamen. Maar indien u de intentie heeft om een vast inkomen toe te kennen, jaarlijks en eeuwig, om zoveel ridders en serganten te onderhouden die men nodig meent te hebben, dan schat ik dat het beter zou zijn, om dat te doen voor elke orde apart, met name de Tempel en het Hospitaal, dan door hen te verenigen. Want iedereen zal zich inspannen om zijn deel te verkrijgen, en daarbij zelfs boven zijn macht gaan.”

Voetnota’s: (1) Molay begint met een merkwaardige vergissing want de Franse koning Lodewijk stierf reeds in 1270. Het concilie van Lyon begon pas vier jaar later, namelijk van 7 mei tot 17 juli 1274.  (2) Met de koningen van Spanje bedoelt Molay de vorsten van de onafhankelijke christelijke staten in Noord-Spanje.  (3) Met de drie militair-religieuze orden in Spanje bedoelt Molay bijna zeker de orden van Calatrava, van Alcantara en van Sint-Jacob van ‘t Zwaard.  (4) In 1291 vroeg paus Nicolaas IV aan de concilievaders van Salzburg advies hoe men het best hulp kon bieden aan het Heilige Land na het verlies van Akko. Ze stelden voor om een vergadering op te zetten met enige specialisten terzake, namelijk de tempeliers, hospitaalridders en teutonen. Die vergadering ging echter niet door omdat de paus stierf vooraleer de verteenwoordigers van de drie grote militaire orden Rome bereikt hadden.  (5) Molay insinueert hier dat de tempel meer bezat dan het hospitaal en dat was ook zo op dat moment.  (6) Met eredienstofficiers bedoelt Molay de eigen kapelanen.  (7) Hier verwijst Molay bijna zeker naar de slag van Mansoerah die verloren werd omwille van de roekeloosheid van de graaf van Artois. Uit trots weigerde deze broer van de Franse koning om de tempeliers voor zijn eigen soldaten te laten uitrijden hetgeen slecht afliep.  (8) Deze uitspraak was koren op de molen van de koninklijke legisten. Die wezen de koning onophoudelijk op het gevaar van een niet door de hem gecontroleerde strijdmacht in eigen land en hier lijkt Molay dit te bevestigen. Hij kon uiteraard niet weten dat zijn memorandum door paus Clemens aan Filips zou worden doorgespeeld. Bovendien is het grootspraak want er waren veel te weinig ridders in Frankrijk om weerstand te kunnen bieden tegen de koninklijke soldaten. Dat wordt bevestigd door de arrestatie waarbij bijna nergens weerstand werd geboden. 

________

2. Vragen aan de universitaire theologen van Parijs (begin 1308)

In de voortzetting van de zaak van de Tempeliers, zowel wat de personen als de goederen betreft, rijzen twijfels, en wel de volgende :

Ten eerste, een gerechtsgeding in verband met het geloof behoort om twee redenen aan de Kerk : enerzijds omdat het gaat over de prediking van het geloof en de instructies aan het volk en omdat de kennisname en beslissing in de zaak bestemd zijn voor de Kerk, wanneer een twijfel over het geloof binnendringt in de geest van enkelen, al zijn ze al dan niet degenen die dwalen ; en anderzijds omdat, wanneer een heiligschenner zondigt tegen het geloof, de Kerk tegen hem moet procederen om hem naar spiritueel berouw en naar verzoening te leiden, als ze dat berouw en die gehoorzaamheid vindt; of, indien het iemand betreft die hardnekkig vasthoudt of hervalt, na voordien zijn dwaling te hebben afgezworen en waarvan men de vasthoudendheid niet had kunnen voorspellen na een dergelijk gedrag, ze deze moet overdragen aan het seculiere hof, ondanks haar smart en lijden. Zij berecht en oordeelt hen niet in verband met het tijdelijke, meer nog, zij bidt voor de hervallenen die voor de tweede keer hun dwaling erkennen en tegen wie het seculiere hof vanuit zijn autoriteit krachtig zal beslissen. Daarover bestaat voor niemand enige twijfel.

Maar twijfel rijst bij het volgende : wanneer een wereldlijke prins of het volk horen dat de naam van God wordt belasterd en zien dat wordt gespuwd op het katholieke geloof door ketters, schismatieken of andere ongelovigen, en wanneer deze zaak publiekelijk wordt, willen ze volgens het bevel van de goddelijke wet een justitiezaak voeren krachtens de aan hen gegeven jurisdictie ; of indien de zaak niet publiekelijk is, dan willen ze een onderzoek uitvoeren betreffende de daad begaan tegen God en tegen het geloof zoals men dat hen heeft meegedeeld. En als ze ontdekken dat de misdaad werkelijk begaan is, zonder dat er twijfel van juridische aard bestaat dat het om het katholieke geloof gaat, dan willen ze een justitiezaak inspannen tegen de schuldige zodat de anderen schrik zouden krijgen. Want men ziet dat een schandaal kan ontstaan indien men geen recht uitoefent.

Men vraagt zich dus af of dat wel toegelaten is, zonder eis van de Kerk of van iemand anders, ofwel dat de autoriteit van de wereldlijke macht in die mate door het nieuwe Testament is beperkt dat men niet mag tussenkomen, behalve wanneer de Kerk het vraagt.

Ten tweede, in de affaire van de Tempeliers -waar men omzeggens slechts een unieke sekte terugvindt, gevormd door meerdere personen, vervloekt, afschuwelijk en zo verfoeilijk- moet de wereldlijke prins wegens de grootheid van het gevaar volledig op de vermelde manier justitie uitoefenen om krachtens zijn functie een ketterij uit te roeien die zo groot en zo besmettelijk is? Of moet, wegens het feit dat de Tempeliers een religieuze orde vormen, de hand van de prins gebonden blijven zodat hij niet tegen hen kan procederen, behalve na vraag van de Kerk ? Ofwel, is het zo dat de beschuldiging, bewezen en onder licht gebracht door de bekentenissen van een zo groot aantal Tempeliers, alle waardigheid en alle voorrecht annuleert omdat de orde vooral een verzameling van ridders is en niet van klerken ?

Ten derde, vermits minstens vijftig Tempeliers, waaronder de grootmeester en andere waardigheidsbekleders van de orde, uit verscheidene streken van het Franse koninkrijk de dwaling van de vermelde sekte hebben bekend, voldoet dit als bewijs tegen de volledige orde ? Volstaat dit om deze valse orde in zijn totaliteit te veroordelen of minstens als veroordeelbaar te beschouwen, vooral omwille van het feit dat de vermelde Tempeliers, die in verschillende streken van het koninkrijk hebben bekend, elkaars bekentenissen en de details ervan niet kenden ? Of dient men te wachten op identieke bekentenissen in andere koninkrijken om de orde veroordeelbaar te maken of als dusdanig te beschouwen ?

Ten vierde, gezien het feit dat elke broeder, op het moment van zijn intrede in de orde en nadat hij publiekelijk het gemeenschappelijk geloof had beleden, in een geheime bergplaats apart werd genomen door degene die hem ontving, in aanwezigheid van slechts twee of drie broeders, waar men hem dwong om zijn geloof af te zweren, maar tevens gezien het feit dat er verscheidene zijn waartegen men geen bewijzen heeft, omdat ze niet spontaan bekenden of omdat men er niet de waarheid kon uittrekken of gezien degene die aanwezig waren bij hun intrede reeds dood zijn, moet men hen dan blijven vasthouden en als katholiek beschouwen, indien men er op geen enkele manier de waarheid kan uittrekken?

Ten vijfde, indien toevallig degene, die niets bekennen, de misdaad ontkennen en men geen bewijzen tegen hen kan aanbrengen, met meer zijn dan tien, twintig, dertig of meer, dienen dan de rechten en statuten van de vermelde orde voor hen verder te blijven bestaan ? Of is een orde van deze aard te verwerpen omdat zoveel andere getuigen verklaringen tegen haar hebben afgelegd ?

Ten zesde, besluitende uit het voorgaande, stelt men zich de vraag of de goederen, die de Tempeliers in gemeenschap als eigendom bezaten, moeten worden aangeslagen in het voordeel van de prins in wiens jurisdictie ze zich bevinden, of moeten worden toegekend aan de Kerk, of het Heilige Land, met als consideratie dat ze daarvoor verworven of door hen gezocht zijn.

Ten zevende, in de veronderstelling dat men deze juridisch of uit devotie van de prinsen toekent aan het Heilige Land, aan wie moet de regeling of de administratie dan toekomen : aan de Kerk of aan de prinsen ? Dat geldt vooral in het koninkrijk van Frankrijk, waar men weet dat alle goederen van de Tempeliers reeds lang onder de speciale bewaking en toezicht staan van de heer koning en zijn voorgangers.

3. Antwoord van de theologen van Parijs (25 maart 1308)

Aan de doorluchtige en zeer christelijke Filips, prins bij gratie Gods, zeer vermaarde koning van Frankrijk, van zijn nederige en toegewijde kapelanen, meesters in theologie te Parijs, ofschoon onwaardig, zowel aktief als niet aktief, steeds gedienstig en beschikbaar met een volledige onderwerping en dienstbaarheid ten aanzien van zijn koninklijke majesteit.

De zeer christelijke koningen van het zeer vermaarde koninkrijk van Frankrijk zijn sinds het ontstaan zelf van het koninkrijk gekend om hun schittering, minder door de omvang van hun macht dan wel door de voortreffelijkheid van hun gewoonten en door hun christelijke godsvrucht. Ziedaar dus, zeer uitmuntende prins, in navolging van de lofwaardige gewoonten van uw heilige voorgangers en brandend van ijver voor het geloof, -dat u ondertussen wilt verdedigen in overeenstemming met de wettelijke regel van de rede, zonder het recht van een andere macht te overweldigen-, wat u zou kunnen eisen van ons, die uw nederige beschermelingen zijn, tenminste ten gevolge van uw grote achting waarom u heeft verkozen om ons vriendschappelijk in uw brief te vragen hoe u verder zou kunnen procederen, zonder iemand anders onrecht aan te doen, in uw zaak tegen bepaalde vernietigers van het vermelde geloof.

Betreffende dat onderwerp stelt u ons bepaalde artikels voor, die ons gedwongen hebben om later te antwoorden dan gewild en dat door de ernst van de zaak en de afwezigheid van enkele van onze meest begaafden. Dat de attente waakzaamheid van uw koninklijke welwillendheid de belediging van de lange vertraging wil vergeven. Op de vermelde artikels, na een naarstige, weloverwogen en herhaalde deliberatie, hebben wij om omslachtigheid te vermijden en uwe koninklijke majesteit tijd te besparen, beslist te antwoorden met korte conclusies waarvan we geloven dat ze correct zijn, daarbij overtuigd van onze beredeneerde motivatie. Dus, op de bovenvermelde artikelen antwoorden wij als volgt.

Op het eerste, waarin men vraagt of een wereldlijke prins ketters mag aanhouden, ondervragen en straffen, zeggen wij dat het ons lijkt dat de autoriteit van de wereldlijke rechter niet reikt tot aan het voeren van een proces wegens ketterij tegen iemand die niet is uitgeleverd aan de Kerk, tenzij de Kerk hem niet opeist of zou kunnen opeisen omdat er geen onmiddellijk, evident en belangrijk gevaar zou bestaan. In welk geval, onder voorwaarde van een zekere bekrachtiging, het aan de wereldlijke macht toegelaten is om hen te arresteren met de intentie hen over te dragen aan de Kerk vanaf het ogenblik dat zoiets mogelijk is. En, ondanks de autoriteit van het Nieuwe of Oude Testament, lijkt het ons niet zo dat men de wereldlijke prins formeel zou kunnen toelaten zich op een andere manier met de vermelde misdaad bezig te houden.

Betreffende de vraag of het recht, dat de prinsen vanuit het Oude Testament lijken te hebben in zaken gerelateerd aan de vermelde misdaad, in iets door het Nieuwe Testament wordt beperkt, zeggen wij dat, indien men het onder voorbehoud de herroeping noemt van eender welk statuut of recht, dat gebaseerd is op uitsluitend de leer van de oude wet, alles onder het regime van de nieuwe wet beperkt is en dat alles wat uitsluitend gebaseerd is op de doctrine van de oude wet, na de toepassing van het Nieuwe Testament wordt herroepen.

Op het tweede artikel, waarin men vraagt of de Tempeliers, omdat ze ridders zijn, beschouwd dienen te worden als niet-religieuzen en niet-vrijgesteld, zeggen wij dat het ons lijkt dat de militie, gesticht voor de dienst van het geloof, niet het statuut van religieuze orde uitsluit en dat zulke ridders, die de statuten van de door de Kerk ingestelde orde uitspreken, dienen beschouwd te worden als vrijgestelde (9) religieuzen. Indien er echter onder hen zijn die dergelijke belofte niet hebben gemaakt, maar zich uitsluitend verplicht hebben om die ketterij na te leven, dan zijn dat geen religieuzen en dienen niet als dusdanig te worden beschouwd. Indien het echter twijfelachtig is of ze dergelijke belofte hebben afgelegd, dan behoort het tot de Kerk, die hun orde heeft ingesteld, om op dat punt te beslissen. Volgens de natuur van de misdaad, behoort alles wat deze misdaad betreft aan de Kerk, bij eender welke persoon, totdat ze de zaak uit handen geeft, zoals reeds eerder gezegd.

Op het derde artikel, waarin men vraagt of, ten gevolge van de verdenking die voortkomt uit de reeds gemaakte bekentenissen, de orde moet worden opgeheven, zeggen wij dat, gezien de reeds gemaakte bekentenissen, er een zekere verdenking bestaat dat alle leden van de orde ketters zijn of aanstokers tot ketterij, omdat ze bijvoorbeeld niets bekend hebben gemaakt of aangegeven bij de Kerk. Zo bestaat er een ernstige aanwijzing dat ze het bestaan van deze ketterij in de orde nergens ontkennen. Gezien vooral de meesters en een groot aantal anderen de misdaad hebben bekend, moet dat volstaan om de orde te verwerpen door de afschuw van personen of om een onderzoek tegen de orde in zijn geheel te verantwoorden, alsook omwille van de publiekelijke smaad van een zo grote misdaad.

Op het vierde artikel, waarin men vraagt wat past te doen met degenen die niets hebben bekend en die ook niet overtuigd zijn geweest, als er al zulke bestaan, zeggen wij, omdat er een ernstige verdenking op alle leden van de orde rust, zoals reeds gezegd, en alhoewel deze niet noodzakelijk als ketters moeten worden veroordeeld, gezien ze niets hebben bekend en niet werden overtuigd, ondertussen toch dat het sterk te vrezen valt, omwille van bovenvermelde verdenking, en dat het goed is zich te wapenen tegen het gevaar van infectie (10) van anderen.

Wat de vijfde vraag betreft, gerelateerd aan dertig of veertig overblijvende ordeleden, volgt het antwoord uit artikels drie en vier.

Voor de zesde en zevende vraag, waar men vraagt wat men moet doen met de goederen van de Tempeliers, antwoorden wij, daar de goederen van de Tempel niet aan de Tempeliers als heren in persoon werden gegeven maar eerder als verdedigers van het geloof en hulptroepen van het Heilig Land, en gezien dit de uiteindelijke bedoeling van de schenkers was, dat wanneer iets met een bepaalde bedoeling wordt gedaan, het ook zijn effect moet hebben op dat doel omwille van een bepaalde reden of zekere noodzakelijkheid. En vermits dat bovenvermelde doel nog steeds bestaat, ook al hebben zij daarin gefaald (11) , moeten de vermelde bezittingen correct bestuurd en bewaard blijven met het vermelde doel (12) voor ogen. Wat betreft hun bewaking lijkt het ons dat een wijze bepaald moet worden die het beste tegemoet komt aan dat doel.

Dit zijn, doorluchtige Heer, de conclusies waarover wij het eens geworden zijn en die we zo goed mogelijk hebben opgesteld, met de wil om van ganser harte te gehoorzamen aan de koninklijke orders en ook aan de waarheid. Het bevalle God, zoals wij ook wensen dat ze aanvaardbaar lijken voor Uwe Koninklijke Majesteit. Want met veel plezier zijn wij bereid om onze ijverige toewijding te schenken aan hetgeen een zo grote Hoogheid behaagt. En dat het de hemel bevalle dat een zo groot onrecht aan het geloof, waarvan u de belangrijkste kampioen en verdediger bent, een zo schandalig en vreselijk onrecht voor het gehele volk, zo snel mogelijk gestraft worde, volgens uw heilig verlangen.

Dat de Allerhoogste nog lang wil waken over Uwe Koninklijke Majesteit, die, en dat geloven we met overtuiging, nuttig is voor niet alleen het wereldlijk staatsbestuur maar ook voor de geestelijke vooruitgang van de Kerk. En dat uw edele goedheid zich ontfermt over ons, uw toegewijde en nederige kapelanen. Ter getuigenis van al het voorgaande, bevestigen wij onze zegels op het document.

Opgesteld op de dag van het feest van Maria-Boodschap, in het jaar van de Heer 1307 (13) .

Voetnota’s: (9) Met vrijgesteld bedoelt men vrij van elke inmenging door de politieke overheid, wat indertijd de libertas canonica werd genoemd. Het was het gevolg van het Privilegium Romanum, dat werd uitgevaardigd in 1100 en in feite de juridische verwezenlijking is van een oud ideaal van de Gregoriaanse reformatie. Het werd verder uitgewerkt in het Privilegium canonis tijdens het 2de Lateraanse concilie van 1139 (canon 15). Clerici worden daarin beschouwd als geheiligde personen toegewijd aan de dienst van God. Wanneer iemand hen een ernstig onrecht aandoet, begaat deze persoon dus heiligschennis. Het Privilegium fori voorziet dat clerici in criminele zaken én in burgerlijke zaken uitsluitend voor de kerkelijke rechtbank kunnen worden gedaagd, en dus niet voor een wereldlijke. Dat is een belangrijk dilemma in deze zaak.  (10) In de middeleeuwen werd ketterij door de rechtgelovigen soms als een soort van besmettelijke ziekte beschouwd, ook al is dat relatief want men was dol op metaforen.  (11) Met falen verwijst men hier naar het verlies van het Heilige Land aan de islamieten, wat men vooral de tempeliers aanwreef, nochtans ten onrechte.  (12) Met doel verwijst men hier naar  de herovering van Palestina.  (13) Maria-Boodschap 1307 = 25 maart 1308 in de nieuwe stijl van aangepaste kalender.

_________

4. Anoniem advies (Pierre Dubois) (14) (begin 1308)

Op de eerste vraag, waarin men vraagt wat men moet doen met de meester van de Tempeliers, die een eerste maal publiekelijk heeft bekend dat hij schuldig was aan dat waarvan men hem beschuldigde, die vervolgens gezegd heeft dat hij bekend heeft uit vrees voor lichamelijke pijn, en die daarna heeft gezegd dat zijn eerste bekentenis waar was en die misschien nog van mening zal veranderen, antwoord ik met zekerheid dat, volgens de regels van het canoniek en civiel recht, en zoals ook de natuurlijk rede aangeeft, het inderdaad onwaardig is dat iemand die openlijk en publiekelijk bekend heeft, zijn eigen getuigenis nietig verklaard.

Het is inderdaad vaststaand dat de vermelde meester zijn dwalingen in verband met de ketterse perversiteit eerder spontaan aan de inquisiteur heeft bekend,  en dat in aanwezigheid van verscheidene goede personen. En dat hij vervolgens, daaraan gedurende verscheidene dagen vasthoudend, in aanwezigheid van dezelfde inquisiteur, van verscheidene religieuzen en van de Universiteit van Parijs, al wenend zijn dwaling en die van zijn orde onder de vorm van een redevoering heeft bekend en dat hij gedurende twee maanden of meer daarbij is gebleven.

Het staat onder meer vast dat hij bij het begin van het proces en wenend omwille van zijn menselijke schaamte, op een dag vroeg om gemarteld te worden, zodat zijn broeders niet zouden kunnen zeggen dat hij hen vrijwillig had geruïneerd. Men antwoordde hem dat er getuigen waren die publiekelijk tegen hem een verklaring hadden afgelegd en dat hij daarom niet moest gemarteld worden (15) . Men stelde in hem geen enkele vrees vast.

De ongegronde vrees van het beeld van lijden kan niet een man dermate constant tot bekentenissen hebben gebracht. Gezien de getuigen tegen hem en zijn eigen zo dikwijls herhaalde bekentenis, die hij zolang heeft vastgehouden, met daarbij nog de getuigenissen van andere Tempeliers, waardoor de veroordeelbare rite van de Tempel duidelijk is bewezen, en gezien het onmogelijk is dat de meester van de orde die dingen niet zou hebben geweten, dient geen enkele gezonde geest te twijfelen dat omwille van tegensprekingen zijn bekentenis niet zou weerhouden moeten worden.

Het is niet zo verwonderlijk dat hij na de bekentenis van mening veranderde. Het is inderdaad het geheime oordeel van God dat de meester van dergelijke grote godslasteringen tegen Christus, die zo lang slecht heeft geleefd en andere broeders in een te veroordelen sekte heeft aangetrokken, niet als voorbeeld zonder straf in deze wereld mag blijven. En inderdaad, de Kerk kan moeilijk zonder schandaal medelijden hebben met een dergelijke man. Men dient hetzelfde te zeggen van broeder Hugues de Pairaud, van wie bekend is dat hij duizend of meer broeders tot de te veroordelen ketterij heeft aangetrokken, en van degene die hetzelfde hebben gedaan als hij.

Op de tweede vraag, waarin men vraagt of de essentie van hun gelofte -die de volgende is :’Ik zweer de statuten en de geheimen van de orde waar te nemen’ (en in werkelijkheid is één van die geheimen dat men van de gelofteaflegger eist dat hij Christus afzweert)-, moet beschouwd  worden als verdorven, antwoord ik, hoewel een eerlijk mens die in het geheel niet twijfelt, dikwijls gebruikt maakt van de twijfel om de waarheid te versterken en een waarachtige zaak in vraag stelt evenals een onwaarachtige, om op deze wijze de vermelde vraag te laten komen van een katholiek ; nochtans, diegene die beweert zijn gelofte op zulke wijze waar te nemen, dat de essentie of de inhoud niet verdraaid of vervalsd zouden zijn, zelfs als hij werkelijk twijfels daaromtrent zou ervaren, zou niet zeer sterk staan in zijn geloof, want, zo staat geschreven : « Degene die aarzelend is in geloofszaken, is zijn geloof ontrouw. »

Dat de essentie of inhoud van vermelde belofte verdorven zou zijn, dat bewijs ik met volgende argumenten.

Ten eerste, omwille van de dwaling van de geprofeste die zich in de substantie van zijn verplichting en zijn overeenkomst vergist. Het is inderdaad zeker dat al degenen die in de vermelde orde intraden, dat ook wensten en het voorafgaand als katholiek beschouwden, als een gemeenschap en een college van broeders, uitsluitend voor de dienst aan Christus gesticht en dat ze haar geheimen als geoorloofd beschouwden. Dus, wanneer de vermelde zich bij een dergelijk college aansloot en wanneer hij gehoorzaamheid aan een college van Christus beloofde (wat het belangrijkste punt is in elke geloofsbelijdenis), maar waarbij dat college eerder één van de Antichrist was, dan dwaalde hij door onwetendheid in de substantie van zijn verplichting en overeenkomst. Hij dwaalde in de substantie van zijn verplichting in verband met het statuut van het college waarmee hij een overeenkomst afsloot en waaraan hij zich verbond, want hij bood zich aan ter Dienst van Christus, terwijl de bedoeling van de orde tegenovergesteld was. Hij geloofde zich aan God te geven, maar gaf zich aan de duivel. Op dezelfde manier zweerde hij de geheimen te bewaren, die hij geoorloofd achtte in hun essentie, maar die dat niet waren.

Ten tweede, hetzelfde is bewezen omwille van een andere reden. Inderdaad, in elk contract opgesteld tussen contractanten, verschijnt naast het hoofdcontract het eigenlijk contract, ingebouwd in zijn substantie, en dat geeft, conform aan juridische argumenten, de vorm van het contract zelf. Dus, zoals in het voorgestelde contract, moesten de Tempeliers na de belofte die ze deden, onmiddellijk, t’is te zeggen alvorens andere vreemde bezigheden te verrichten, volgens hun rite Christus ontkennen en beloven om andere verdorvenheden te begaan en dat is alsof, zoals in de voorgaande professie, het  hoofdzakelijk daarover ging.

Ten derde, hezelfde is bewezen omwille van een andere reden. Wij zien inderdaad dat, indien bij een vleselijk huwelijk een schandelijke voorwaarde wordt geïntroduceerd, die voor het goede van het huwelijk schadelijk is, t’is te zeggen, waarvoor het huwelijk is ingesteld. Dan is het huwelijk zonder waarde en in zijn gehele substantie verdorven […]

Op de derde vraag, waarin men vraagt of een verdediger in deze zaak moet worden aangesteld, antwoord ik negatief als het particulier personen betreft. En inderdaad, geen enkele inquisiteur is tussengekomen. Als men procedeert tegen de orde in zijn geheel volgens een gewone rechtstreekse beschuldiging, en wanneer de meester van de orde verhinderd is om haar te verdedigen, dan lijkt het op het eerste zicht dat men een verdediger dient aan te stellen.

Maar hier is dat niet zo vanzelfsprekend! Inderdaad, men heeft geen beschuldiging of een bevel tot proces ingesteld. Maar uit de talrijke verklaringen van de Tempeliers zelf komt  de corruptie van de orde duidelijk voor de Kerk tot uiting. De koning van Frankrijk, de kerkelijke personen en het ganse volk van dit rijk zien een zo walgelijke orde waarin Christus dermate wordt beledigd, dat ze beroep doen op de Heer, niet door een aanklacht of door de instelling van een proces, maar door een convocatie aan de romeinse Kerk om het lichaam van Christus en het katholiek geloof tegen dergelijke ontrouwe mannen te verdedigen, om ze van een dergelijk grote vlek te reinigen  en het schandaal van de Kerk te verwijderen.

Dus spreekt de koning niet als aanklager of deelnemer in een proces, maar als vertegenwoordiger van God, als verdediger en kampioen van het geloof en roept de Kerk om tussen te komen. De zoon maant zijn ingeslapen vader aan om te waken tegen dieven die de muren van het huis van de Heer doorboren, op dezelfde wijze zoals de Kerk de gewoonte heeft om de hulp van katholieke prinsen op te eisen. Wanneer dus de Kerk hulp aan de prinsen vraagt, dan kan men niet spreken van een aanklacht. Maar zij toont hen de wonden van de Kerk van Christus om die te genezen en om uit het lichaam van de Kerk de vergiftigde doornen te verwijderen.

Wat doet dus de Kerk ? Ze dient te beslissen of de klacht op feiten berust wanneer de zaak twijfelachtig van aard is. Maar hier kan ze alleen maar twijfelachtig zijn. Want ze komt voort uit zoveel verklaringen van Tempeliers, hoewel die niet verkregen werden met de bedoeling om de orde te veroordelen, dat de orde ontaard moet zijn. De Kerk ziet dat toch, zij, die een enquete zou moeten uitvoeren zonder dat er een aanklager is. De evidentie van de feiten toont de corruptie van de orde reeds aan. Waarom zou men dus een verdediger aanstellen, behalve om -hetgeen God zeker niet zal behagen- de dwalingen van de Tempeliers te verdedigen, vermits de evidentie van de feiten de misdaad onmiskenbaar maken. Bovendien neemt de Kerk zelf de plaats in van de verdediging als ze opmerkt dat er een verdediging zou kunnen aangesteld worden, ook al is er geen verdediger.

Daarenboven, waar vindt men ergens een verdediging in de zaak van de volgelingen van Nestor (16) of andere ketterse sekten die vroeger veroordeeld zijn ? Heeft men voor hen erkend dat er plaats was voor een verdediging ? Nu de ketterij van de Tempeliers helder voor de Kerk verschijnt, hoe kan men haar dan verdedigen en welke vorm van proces dient men dan te volgen ? Het zou God niet behagen !

Daarom dient de Kerk tegen de orde in zijn geheel niet te procederen met een beoordeling maar door de weg van provisie. Inderdaad, de Kerk ziet zoveel broeders van deze orde, die haar door de bekentenis van de dwaling  bezoedelen, die haar doet zien dat ze veroordeeld is en dat het onmogelijk is geworden dat ze nog nuttig kan zijn voor de Kerk in zijn geheel en dat ze zonder schandaal niet verder kan blijven bestaan. Dat de Kerk het schandaal dus verwijdere ! Dat ze zich haast om dat te doen ! Inderdaad, het schandaal is dermate groot dat de romeinse Kerk niet kan afwijken van de opheffing van deze orde, die de gehele Kerk van God schandaliseert, zonder een dodelijk en zeer ernstig gevaar voor zichzelf en de anderen. Uitstel, zelfs van korte duur, zou een onverdraaglijk gevaar meebrengen. Want er staat geschreven : « Als uw oog u schandaliseert, ruk het dan uit. »

We hebben gemerkt tijdens het concilie van Lyon, dat Gregorius X verscheidene orden aan de borst van de Kerk heeft ontrukt (17), omwille van een te groot aantal orden en omwille van een middelmatig schandaal dat het geloof niet raakte. Ook bij deze gelegenheid werd geen verdediging gehoord of een juridisch debat gehouden. Een reden te meer voor de Kerk om in deze zaak, die ze duidelijk onderscheidt en waarvan ze het schandaal ziet, om zelf een dergelijke orde uit te roeien. Want, omwille van de dwaling van zoveel Tempeliers, ook al geef ik toe dat misschien niet iedereen heeft  gezondigd, is de orde in zijn geheel onmiskenbaar een gruwel en een schandaal voor de gehele wereld.

Op de vierde vraag, waarin men wil weten of men de ganse orde dient te behouden of te verdedigen indien men enkele onschuldigen zou vinden, zelfs indien die gering zijn, antwoord ik : het is moeilijk, of nog beter, quasi onmogelijk om tussen de Tempeliers enkele onschuldigen te vinden, die niet in contact zijn gekomen met de besmetting via een relatie of op een andere manier. Er bestaat tegen allen een ernstig en geweldig vermoeden. Als iemand van hen onder marteling of op een andere manier niet wil bekennen, of als er toevallig geen getuigen tegen hem bestaan omdat de getuigen dood zijn of zijn onverzettelijkheid delen, dan betekent dat nog niet dat zijn onschuld is bewezen. Want een ernstig vermoeden zal op hem blijven wegen. Hij zal een rots van schandaal blijven en afschuw wekken bij eender welke katholiek die hem zal zien. Daarom kan men zich niet voorstellen hoe de orde zou kunnen verder bestaan of bevestigd worden in dergelijke personen […].

Dus, de meerderheid onder hen heeft gezondigd, zoals dat blijkt door de bekentenissen van hen die van alle streken zijn gekomen en ook die van de meesters. En om het geheel te veroordelen, volstaat het dat de meerderheid heeft gezondigd, vooral omdat degenen door wie de gemeenschap bestuurd wordt, gezondigd hebben […]

Wij hebben gezien dat, omwille van de afschuw van een misdaad en de fout van velen, een stad of een gemeenschap in zijn geheel wordt vernietigd, ook al zouden er tussen hen onschuldigen gevonden zijnt. Wij hebben gezien dat door de fout van één enkele zijn volledige bloedverwantschap wordt uitgeroeid, zoals men dat leest in de heilige Schrift in verband met de zonde van afgoderij begaan tegen het geloof en in verband met de zonde van sodomie. Die werden allebei door de orde van de Tempel bedreven, en ze waren zelfs in de regel ingebouwd. […]

Daarenboven zouden degenen die overblijven binnen de Kerk van God steeds een schandaal en een afschuw blijven verwekken, omdat de Kerk zelf een dergelijke orde niet zonder ernstige zonde en zonder gevaar voor de ziel van de auteurs van het schandaal kan weghouden.

Het is helemaal niet noodzakelijk om de orde te behouden, en zelfs al zou het noodzakelijk zijn, dan zou er geen enkel nut uit resulteren. Omwille van dit alles en conform aan de regels van het goddelijk en menselijk recht, mag en moet een dergelijke orde niet behouden blijven, zelfs niet in de vorm van enkele of meerdere van zijn overblijvende leden. Inderdaad, indien ik mij onthoud van het eten van vlees om mijn broeder niet te schandaliseren, voor wie volgens de Apostel Christus dood is, dan moet ik om het schandaal te vermijden ook alle andere dingen vermijden die zondig zijn en het schandaal niet veronachtzamen, conform aan de regels van het goddelijk en civiel recht, met uitzondering indien het niet zonder gevaar voor eeuwige verlossing kan worden vermeden. Hier kan het schandaal zonder gevaar worden vermeden. Bovendien kan een dergelijke orde niet blijven bestaan zonder gevaar en zonder schandaal voor de gehele Kerk.

Voetnota’s: (14) Voor de moderne lezer zijn de redeneringen van Pierre Dubois regelmatig onbegrijpelijk. Wellicht verstond ook de gewone middeleeuwer er niets van, maar hij beschouwde de toegepaste logica wel als de onweerlegbare waarheid. (15) Dit lijkt ons een dubbele bevestiging te zijn van onze stelling dat vrij oude Molay niet werd gemarteld. De legisten hadden geen baat in die fase van het proces aan een dode grootmeester. (16) Nestorius (382-451) was een Griekse theoloog wiens opvattingen veroordeeld werden op het concilie van Efeze in 431. De man werd verbannen naar Egypte maar zijn talrijke aanhangers vonden een toevlucht in de Oost-Syrische Kerk en werden met respect behandeld door de Mongoolse heersers. (17) Gregorius X sprak zich te Lyon nadrukkelijk uit tegen de wildwas van nog niet erkende armoedebewegingen.

________

5. Vermaning aan de paus van het Franse volk (Pierre Dubois) (1308)

Het volk van Frankrijk, dat bij gratie Gods altijd devoot en gehoorzaam is geweest aan de heilige Kerk en dat zal blijven, meer dan iemand anders, smeekt zijn heer de koning van Frankrijk, die toegang heeft bij onze vader de paus, deze te tonen dat hij de Fransen te sterk verbolgen heeft en een groot schandaal tussen hen heeft bewerkstelligd, omdat hij alleen maar met woorden lijkt te straffen. Het gaat hem niet alleen om de ketterij van de Tempeliers maar ook om de geopenbaarde vernieuwingen van de bekentenissen die ze gedaan hebben voor zijn inquisiteur en voor zovele prelaten en andere goede personen, zodat geen enkele gelovige ze nog in twijfel trekt, en in een dergelijk ernstige zaak niet zoekt en vraagt om orde en recht, zoals de decreten dat uitdrukkelijk zeggen.

Daarom ziet het volk van Frankrijk geen enkele reden voor dat uitstel of voor een dergelijke perversie van het recht, tenminste indien men aanneemt dat het waar is wat men algemeen beweert: dat de gift en belofte van veel goud hen hindert of dat ze niets beloven of geven om recht te doen. En ze zijn daarbij gedreven door de woorden van het decreet : ‘De arme, die niets kan bieden : niet alleen versmaadt men hem te aanhoren maar bovendien onderdrukt men hem, tegen de waarheid in ; want rechtvaardigheid is snel veranderd door goud, en de beschuldigde vreest niets omdat hij meent zich vrij te kunnen kopen door zilver’.

En zo wordt het Franse volk gestuurd om dat nog gemakkelijker te geloven, want de ene zonde brengt de andere mee, zoals de canon zegt : ‘De besluitelozen zijn de zenuwen van de testikels van Leviathan, het is te zeggen de zonden, waardoor het patent en bewezen is dat één zonde de oorzaak en gelegenheid is van vele zonden. Dus het volk merkt dat het decreet zegt dat zij, die de macht bezitten om voordelen te schenken, de meest eerbare en geletterde personen zo talrijk mogelijk dienen te eren. En als zij dat doen, dan zijn ze rechtvaardig zoals het recht aanbeveelt : want een zo grote deugd als rechtvaardigheid vereist van hen, die het toebehoort, dat ze aan eenieder zijn recht geven. Dus het volk merkt dat hun spirituele vader, wegens liefde voor bloedverwantheid, meer voordelen van de heilige Kerk van God aan zijn familieleden en aan zijn neef de kardinaal heeft gegeven dan veertig vorige pausen dat ooit aan hun geslacht hebben geschonken. Noch Bonifatius, noch een andere gaven zoveel aan hun volledig geslacht.

En zo heeft hij meer dan tweehonderd meesters in de theologie in de wind gezet, die hij nochtans goed kent of zou moeten kennen, want eenieder van hen is een grotere klerk dan zijn neef is of ooit zal zijn. En zo beschikken de tweehonderd over minder goed van de heilige Kerk, dan hij aan zijn vermelde neef heeft gegeven. En aldus heeft de vermelde paus aan zijn neef het volledige pastoraat gegeven van de provincie van Rouen (18) , waaruit deze groot profijt haalt. En aan een andere gaf hij het volledige pastoraat van Toulouse (19) en nog een andere dat van Poitiers (20) .

Personen die niet van zijn geslacht waren of hem niet hadden gediend, bezorgde hij toch de rente van een parochie, ten bedrage van meer dan honderd ponden. Er zijn veel meer geletterden die het met minder moeten doen, zelfs al zijn ze met zestig.

Dus het volk meent dat Onze Heer beveelt dat men recht doet aan zowel klein als groot en dat zonder uitzondering van gunst of persoon. Broeder Thomas van Aquino beschouwt dat het aanvaarden van iemand ten nadele van iemand anders een doodzonde inhoudt. Hij besluit dat deze zonde niet in zichzelf kan lijden van ondeugd omdat die ondeugden juist het tegenovergestelde zijn. Het is evident dat deze slechte daad zeer gewichtig is in de ogen van God en van allen die naar rede luisteren.

Laat ons veronderstellen, edele koning van Frankrijk, dat u een ernstige ziekte heeft (dat God u ervoor behoede !) en dat u toch een groot leger dient te leiden, en dat het past dat slechts één man in uw plaats er meester en bestuurder van is, en dat u een veldslag dient te beslissen door een gevecht van één kampioen in een gesloten arena, met gevaar voor uw leven, en dat u niet zelf een geneesheer kan kiezen en dat u slechts over één kampioen en één bevelhebber beschikt. U geeft dan zeker de macht van keuze aan een man van de wereld voor wie u het meest goed heeft gedaan, want hij is u dankbaar en in die man het meeste vertrouwen.

Indien deze vriend de geneesheer en de twee ridders kiest, op welke manier ook zij zich voornemen om hun taak goed te vervullen, zouden zij van u evenveel rente krijgen als de vermelde aartsbisschoppen en bisschoppen en twee van zijn neven die de ridders zijn en een andere die geneesheer is, als hij ze kiest en benoemt, en ondertussen nochtans goed weet dat hij gemakkelijker sterkere, geleerdere en meer ervaren dan zijn neven had kunnen vinden; maar hij wil dat zijn neven het profijt krijgen dat u had willen geven aan de drie beste mannen die men had kunnen vinden om uw lichaam te genezen en uw lichaam en rijk te verdedigen ? Als ongeluk de drie aldus gekozen neven treft, zou u dan niet eveneens en nog harder hun oom bestraffen ?

U weet dat onze Heer Jezus Christus de vader is van alle zielen en dat de bisschoppen en alle pastoors rechtmatig de geneesheren van zielen worden genoemd en de kampioenen, vechtende voor hun Redder tegen alle duivels. En u weet ook dat één enkele ziel meer waard is dan alle goud en zilver van de wereld, en dat Jezus Christus de paus meer goed heeft gegeven dan aan Mozes, aan de drie patriarchen en aan alle profeten die hij zo lief had, om daarmee goed te doen en trouw te zijn aan zijn taak.

Al deze zaken op een rijtje gezet, zeg tegen de paus dat hij zich voldoende excuseert, als hij dat kan, van de zonde tegen God en tegen elke van de vermelde aartsbisschoppen en bisschoppen, op die manier dat hij niet kan beschuldigd worden van de misdaad van goddelijke majesteitsschennis en dat hij niet valt onder de doodstraf die de Apostel trof, wanneer deze bevestigt dat men God ontkent door het begaan van perverse daden, zoals dat bevestigd wordt door Sint-Augustinus, in de canon ‘Existimant’.

En dat onze vader de paus beseft, wanneer er nu niemand is die recht doet aan het volk in verband met de zo slecht uitgevoerde benoemingen - door iedereen geweten en gezien-  en indien u hem dat niet belet, hij na zijn dood bij het volk over de tongen zal gaan, en dat het gemakkelijk zal zijn om van zijn opvolger te bekomen dat hij de vermelde neven onvoldoende geletterd zal vinden om dergelijke hoge posten te benemen, om bij een dergelijk groot volk te prediken en om haar te onderwijzen. Hij zal hun afzetten en vervangen door grote meesters in de theologie, waartussen de grootste doctors van de gehele christenheid zich bevinden, waarvan elk groter is, als hij dat wil, dan allen die vandaag zich in het hof van Rome bevinden.

Men constateert dat de paus op dezelfde manier en rechtmatig vroeger bisschoppen heeft afgezet wegens gebrek aan kennis. En men zou in het huidig geval best hetzelfde doen, want, in gemeenrecht behoort een verkiezing tot het kapittel, zonder dat een Soeverein daar hand moet in hebben, behalve in één bepaald geval, namelijk als het kapittel het niet eens kan worden over de te verkiezen herder of de kandidaten. Ik zeg dat in het huidig geval de paus, die door zijn taak het recht van eenieder dient te vrijwaren, dit zonder reden heeft verboden of de macht van keuze heeft ontnomen aan degenen die dat toebehoort. En indien ze niet de meest geletterden van hun collegas hadden gekozen, dan zou de paus hen geweigerd hebben of zou dat moeten doen.

En dat de paus en de zijnen, -en minstens deze laatsten, die het nodig hebben of zullen hebben dat men hen steunt-, nimmer hoeven een zo groot, devoot en gehoorzamend volk verbolgen te maken, noch haar te ontzeggen wat men redelijkerwijze kan doen of zeggen, vooral om een dergelijk groot schandaal te bedaren en te supprimeren. Want het volk weet maar al te goed dat rechtvaardigheid de constante en eeuwige bereidheid is om iedereen zijn recht te geven, zonder aanzien van de persoon. En omwille van deze reden is, degene die doet wat men moet doen, zonder aanzien van de persoon, de zoon van God. Wie daarop in iets variëert of tijd verliest omwille van het aanzien van de persoon, door gift of belofte of uit schrik, liefde of haat, is de zoon van de duivel en onkent daardoor alleen al God, die ware rechtvaardigheid is.

Dat het u behage om aan onze vader de paus te zeggen dat hij erover waakt om de rechte weg in zijn grote heerlijkheid (21) te volgen en dat het daarbij van belang is dat hij niet misdoet aan het dringend verzoek van de zijnen en van zijn land zelf.

En dit schreef de goede Clemens IV, zijn voorganger die geliefd was bij het volk en getrouwd (22) , in de volgende termen aan een bisschop, die tijdens een twist in zijn land gekozen werd en na zijn benoeming al degenen mishandelde die de andere hadden verkozen : “Zij die zich overgeven aan de wijsheid, zeggen dat het moeilijker is om in voorspoed bescheiden te leven dan in tegenspoed.”

Volgens en tevens omwille van dit alles, eiste onlangs de meester van de orde der Predikheren van de paus om geen enkele van zijn broeders het prelaatschap te geven. Want, op honderd mannen van het goede leven, kon men er volgens hem amper één vinden die eerlijk volgens de eer en de rijkdom van een prelaatschap leefde (23) . Van dergelijke prelaten, wat ze ook prediken, gelooft men meer de daden dan de woorden.

Daarom zegt het Evangelie : « Jezus begon te handelen en onderwijzen » en « Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaatsgenomen. Doet alles wat zij zeggen, maar handelt niet naar hun werken. Het is door de vrucht van hun werk dat men ze moet herkennen. »

En omdat enkelen goed doen voor de glorie van de wereld of voor een andere reden van wereldlijke aard en in zich een verborgen ondeugd meedragen, kan men niet weten wie raadslid is, noch onder velen wie dat het meeste is. Maar wanneer men een man verrast ziet door een doodzonde of die ooit één keer bedreven heeft, en men ziet geen beterschap, vooral wanneer het mogelijk is om een evidente en sterke genoegdoening te geven, zoals in het hierboven beschreven geval, dan moet men veronderstellen dat hij nog steeds in staat van zonde is en hem verwerpen omdat hij nog steeds gebonden is door die zonde.

Wanneer hij om waardigheid wordt opgeroepen, dan moet een dergelijk prelaat weten dat hij zijn onderdanen verontreinigt door een dergelijk voorbeeld en de ruchtbaarheid van dergelijke zaken, zoals dat bewezen is in canon ‘Non sunt audiendi’ (24) en door het woord van de Apostel die zegt : « Elke daad van Christus moet ons onderrichten. », en in de canon die er van af is geleid en waar men zegt : « Wat de prelaten uitvoeren, wordt gemakkelijk omgezet in een voorbeeld voor de volgelingen. »

Voetnota’s: (18) Met de neef van de paus bedoelt de auteur hier Bernard de Fargues, die, kort na de pausbenoeming van zijn oom Clemens V, aangesteld werd tot bisschop van Agen, en dat in januari 1306. In juni 1310 werd Bernard getransfreerd naar het aarstbisdom van Rouen, een prestigieuze post.  (19) De neef die Toulouse kreeg was Gaillard de Preissac. Hij werd benoemd op 25 december 1305, en in 1317 afgezet door de opvolger van Clemens V.  (20) Dit is een leugen van Dubois want Clemens gaf het bisdom van Poitiers niet aan een verwant. Toch is de beschuldiging van een verregaand nepotisme juist want hij maakte familieleden vijf keer tot kardinaal en vijf keer tot bisschop.  (21) Heerlijkheid of seigeurie is in de middeleeuwen een bepaald te besturen gebied.  (22) Vooraleer priester te worden was paus Clemens IV jurist en getrouwd.  (23) De orde van de predikheren of dominicanen was in eerste instantie eveneens een armoedebeweging, geïnspireerd door het voorbeeld van hun stichter Dominicus de Guzman, die dit als een noodzaak zag om op te kunnen tegen het ascetische voorbeeld van de katharen. Hij durfde het aan om de praal en rijkdom van de katholieke clerus in Occitanië te bekritiseren. Maar hier zijn we 100 jaar later en is dat ideaal blijkbaar vervlogen.  (24) Non sunt audiendi = Ze zijn niet luisterend.

______

6. Eerste redevoering van Plaisians te Poitiers (29 mei 1308)

In de naam van God, amen. Christus triomfeert, Christus regeert, Christus beveelt.

Na deze universele overwinning, behaald op het hout van het kruis tegen de antieke vijand ter verdediging van Zijn Kerk en ter verlossing van het menselijk ras door de Heer Jezus Christus zelf, die regeert en beveelt, en die verdient, meer dan anderen, om door antonomasie (25) en uitmuntendheid koning genoemd te worden (dermate omdat hij de zoon is van de Koning der koningen, t’is te zeggen God de Vader, die Koning is van hemel en aarde, dat was en dat zal zijn, Koning der koningen en Heer van de souvereinen, omdat hij in hem geïncarneerd is en geboren uit de Maagd Maria, Zijn moeder, die zelf van koninklijke afkomst is, die koningin die geen gelijke heeft en nooit één zal hebben in de toekomst), en die zelfs verdiend om Keizer genoemd te worden omdat Hij iedereen beveelt onder de zon, bij de engelen, evengoed bij de goede als slechte geesten en zelfs alle elementen en door niemand anders wordt bevolen, die Jezus heeft Zijn speciale en bewonderenswaardige, grote en snelle, nuttige en noodzakelijke overwinning niet behaald op de vijanden van zijn Kerk en van het orthodoxe geloof zoals hij dat zeer recent heeft gedaan, in onze dagen, door middel van de ministers bij deze gedelegeerden, toen mirakuleus in de zaak van de verraderlijke Tempeliers hun ketterse perversiteit werd ontdekt, die zolang verborgen is gebleven, daarbij een gevaar vormend voor de zielen, de omkering van het geloof en de vernietiging van de Kerk.

Om de vermelde overwinning bij u onmiskenbaar te maken, zeer heilige Vader, gij die de universele bisschop van Rome en de wereld zijt, de geestelijke plaatsvervanger op aarde van de zeer hoge souverein Jezus Christus, en bij uw broeders, die de zuilen zijn van de heilige Kerk van God, en door u en met hen, bij alle christenen, komt mijn heer de koning van Frankrijk, wereldlijke plaatsvervanger in zijn rijk van koning Jezus Christus, veilig en volledig, t’is te zeggen met al zijn leden (de prelaten, de kapittels, de volledige clerus en Kerk, de baronnen en ridders, de gemeenten en de getrouwen van het rijksvolk) zich melden in uw Heilige aanwezigheid, daarbij de sporen volgend van zijn voorgangers, en getuigt bij zijn moeder de Romeinse Kerk en voor uw zetel de eer die men hen moet, zonder de bedoeling om voor zichzelf de rol op te eisen van aanklager, aangever, onderzoeksrechter, of promotor van een procesvorm tegen wie ook, maar als zeloot van het katholiek geloof, verdediger van de Kerk, muurwallen van Jeruzalem en uitroeiers van de ketterse perversiteit, zal ze u de vermelde overwinning aankondigen en klaarheid brengen in de inhoud en de vorm van de zaak.

Deze overwinning was vreselijk en verschrikkelijk in het begin van de strijd, aangenaam en bewonderenswaardig tijdens het verloop en uiteindelijk helder, belangrijk en ondubbelzinnig in zijn uitkomst. En er blijft niets meer over om te doen behalve de voltooiing ervan, waarbij uw hulp gevraagd wordt, vrome Vader, en die van anderen die de noodzakelijke en gepaste remediemiddelen bezitten, zodat ze aan de christenen kunnen meegedeeld worden als zeer noodzakelijk en nuttig, en verkondigd worden aan alle volkeren.

De strijd was vreselijk en verschrikkelijk voor de heer koning en de andere ministers van Christus, vanaf zijn begin, omwille van vier redenen : ten eerste omwille van de conditie van de aangevers, die mannen van uiterst klein allooi waren om een dergelijk grote zaak op te starten (26) ; ten tweede, omwille van de grootheid en de onmetelijkheid van de rijkdommen, haar macht en de conditie van de beschuldigden van de orde en hun leden ; ten derde omwille van de onmenselijkheid van de misdaden door de welke, als ze waar waren, de goddelijke en menselijke natuur geschokt zouden zijn ; ten vierde omwille van de banden van genegenheid, trouw en devotie waardoor zij met de heer koning verenigd waren zoals aan hun belangrijkste baas en wereldlijke heer en omdat de heer koning hen behandelde, net zoals zijn voorgangers, als speciaal begunstigden en omdat hij in hen uitzonderlijk veel vertrouwen stelde, meer dan in andere personen die gekleed zijn in een religieus gewaad.

Daarover heeft men de ganse procedure van de koning publiekelijk  gemaakt, vanaf het begin van de geheime informatie die hij verkreeg, vervolgens degene die de inquisiteur verzamelde en de gesloten raad van Pontoise, tot aan het moment dat men besloot tot hun arrestatie.

Deze overwinning was aangenaam en bewonderenswaardig om de volgende redenen.

Ten eerste, omdat God de ministers van deze overwinning gekozen heeft, waarbij ze in deze zaak niet naar eigen belangen zochten maar naar die van Christus, en waarbij ze zich ver verwijderd hielden van alle begerigheid en valse glorie. En dat men hier de bedoeling van de koning herhaalt en wat hij bevolen heeft in verband met de goederen. Inderdaad, geen enkele ander levend wezen zou het gedurfd hebben om hier een zaak van te maken ; en hijzelf is er door vele redenen aan gebonden, vooral omdat hij het tijdens zijn kroning heeft gezworen.

Ten tweede, omdat de Christus mirakuleus lijkt gehandeld te hebben in die zin dat hij, gekozen door het koninkrijk van Frankrijk en gezegend door de Heer voor alle andere koninkrijken van de wereld, werd aangebracht als opvolger van de apostel Petrus, opdat gij aanwezig zoudt zijn in dat koninkrijk met uw curie, samen met de koning ; en hij heeft u samen verenigd, met  zijn eigen lichaam en ziel, opdat de moed van de ene, verenigd met die van de andere, onophoudelijk voor hem zouden strijden.

Ten derde, omdat hij alle waardigheidsbekleders van de misdadige orde uit verschillende delen van de wereld heeft samengebracht in dat koninkrijk, onder de pretekst van een andere zaak om hen te tarten met rechtvaardigheid in verband met het voorgaande (27) .

Ten vierde, omdat de meester, samen met alle andere hoogwaardigheidsbekleders, zich voor hun arrestatie eerst bij de koning verontschuldigden en hun dwalingen zo goed mogelijk verborgen hielden door met luide stem hun regel en hun geheimen te verkondigen in het bijzijn van anderen die dat goedkeurden, en daarna een zekere ketterij bekenden, rakende aan het sleutelsacrament en dat van de sacramentele biecht (28) .

Ten vijfde, omdat tijdens hun arrestatie enkelen onder hen, uit vrees voor de beschuldigingen waarvan ze het object waren, en wanhopend om vergiffenis van Christus, zich ophingen, anderen zelfmoord pleegden en nog anderen zichzelf naar beneden lieten storten.

Ten zesde, omdat op hetzelfde moment allen, met slechts enkele uitzonderingen, in diverse delen van het rijk, in alle baljuwschappen en drostenijen spontaan en volledig het voorgaande hebben bekend, bijna steeds zonder iets van elkaar geweten te hebben, warbij hun bekentenissen qua inhoud  in alle artikels samenhangend zijn. En nochtans, ze werden niet over specifieke  punten ondervraagd en degene die zich in een baljuwschap of drostenij bevonden, wisten niets over de anderen. Kijken we op dezelfde manier naar de redevoering van de meester van de orde, die hij voor de universiteit van Parijs publiekelijk heeft uitgesproken (29) , de bekentenissen van de tempelier van Uzès en van Carcassonne en zoveel anderen die door belangrijke mirakels (30) werden gemeld.

Ten zevende, omdat bij hen van standvastigheid sprake is in hun bekentenissen, langdurig en herhaald, in aanwezigheid van bisschoppen, soms in aanwezigheid van hun eigen oversten en andere religieuze personen en in het bijzijn van clerus en volk, een telkens vernieuwde bekentenis. Het is waar, enkelen hebben na hun spontane en dikwijls herhaalde bekentenis, uitgesproken in het bijzijn van verscheidene personen en met een groot interval van weken en maanden en daarbij lange tijd volhardend, die bekentenis na overleg onder elkaar herroepen, zoals de heren kardinalen te horen kregen tijdens hun missie naar Parijs (31) . Dat kwam door de aanmoedigingen die zij mondeling en schriftelijk kregen van bepaalde personen, wiens identiteit zal worden onthuld waar en wanneer dat past en waarvan enkele voor de meest belangrijke van dit land doorgaan. En de enen werden overtuigd door geld, de anderen door ontregelde gevoelens en ze mogen terecht de straf voor ketters vrezen.

Ten achtste, omdat na de algemene en bij iedereen overeenstemmende  bekentenissen, nog anderen lang nadien spontaan enormiteiten hebben bekend. Er dient daarbij te worden verwezen naar de vijf die bekend hebben voor de aartsbisschop van Lens en de dertig voor de bisschop van Macon. Eén van die vijf is reeds naar God gegaan (tenminste als de hemel dat bevalt) waarbij hij tijdens het artikel van de dood in zijn bekentenis volhardde.

Deze overwinning is duidelijk en onbetwistelijk gebleven :

omdat ze door een groot aantal getuigen werden bevestigd en omdat de orde overwonnen is ;

omdat ze bekend hebben tijdens zoveel bekentenissen waardoor de zaak notoir wordt ;

omwille van het publieke gerucht dat tegen hen aangroeit, want het doet zich voor in gans het koninkrijk en zelfs in de gehele wereld ;

omdat de zaak niet alleen gerechtelijk notoir is maar ook voor iedereen in de praktijk ;

door de publieke akten en authentiek verzegelde geschriften ;

door de onbetwistbare getuigenis van een zo grote en katholieke prins, minister van Christus in deze zaak, waarin men wat geloof betreft moet geloven ;

door de getuigenis van katholieke prelaten die voor zichzelf, in hun naam en die van de gehele gallicaanse Kerk, het notoir verklaren ;

door de oproep van zoveel baronnen en zoveel mensen uit het volk van dit rijk, door gefundeerde vermoedens, door verscheidene zeer duidelijk indicaties en waarschijnlijke veronderstellingen die, verenigd in één bundel de zaak oncontesteerbaar maken, zelfs onafhankelijk van voorgaande argumenten ;

omdat sinds onheuglijke tijden de leden verklaard hebben dat zij tijdens hun geheime receptie iets ongeoorloofd begingen, en dat ze omwille van die reden met waarschijnlijkheid allemaal publiekelijk en notoir verdacht zijn ;

omdat ze de geheimen van hun orde niet aan de bisschoppen van de Romeinse Kerk onthullen ;

omdat ze hun kapittels en vergadering tijdens de nacht hielden, hetwelk bij de ketters de gewoonte is omdat wat slecht is het licht haat ;

omdat we hen door de vruchten van hun daden kunnen kennen, want men zegt dat het Heilig Land verloren werd door hun falen, en dat ze dikwijls geheime afspraken hebben gemaakt met de sultan en dat ze in hun huizen geen gastvrijheid verleenden of aalmoezen gaven of aan andere goede werken deden. Al hun aandacht spitste zich toe op het verwerven, pleiten en twisten. Het is op deze manier dat ze beloofden om te reageren, legaal of illegaal, zoals dat blijkt uit een aantal verklaringen van bepaalde personen onder hen (32) .

Omdat de enen, gearresteerd als verdachten van ketterij en in beschuldiging gesteld, uit de gevangenis ontsnapt zijn, omdat anderen niet verschenen zijn alhoewel ze opgeroepen waren, omdat nog anderen, die van de souvereine Romeinse pontifex zelf het bevel hadden gekregen te komen, gevlucht zijn. Enkelen onder hen zijn nu briganten in de wouden, andere plunderaars op de wegen, nog anderen moordenaars en nog anderen bedreigen de bij deze zaak betrokken rechters en ministers met de dood door het zwaard of door vergif (33) .

Omdat ze in vele gebieden van de wereld hun kastelen versterkt hebben tegen de Kerk en zijn arm, haar goederen ontkleed en ontwijd hebben, en ze doen verdwijnen waaronder heilige kelken.

Omdat niemand, of slechts heel weinig onder hen die buiten het Franse rijk wonen, zich hebben aangeboden, alhoewel een algemeen bevel ter arrestatie door de heilige Stoel werd uitgevaardigd tegen allen als verdachten van ketterij en omdat heel wat onder hen die in de Spaanse koninkrijken wonen, overgelopen zijn naar de Saracenen.

Uit dit alles concludeert men noodzakelijkerwijze dat deze feiten notoir, duidelijk, ondubbelzinnig, helderder dan het middaglicht zijn en dat ze bovendien niet mogen herroepen of in twijfel getrokken worden door iemand die waarlijk katholiek is en die wil waken over het gevaar om de ketterij te begunstigen, waarbij men rekening dient te houden met de mirakuleuze daden van God, de Allerhoogste, bij bemiddeling van de zeer christelijke prins, de Kerk van Frankrijk, de baronnen en het ganse volk.

Sterker nog, zelfs indien een idioot beest dit duidelijke en bewezene zou verspreiden, dan nog zou men er niet over discuteren.

Aldus dient de zaak van het geloof, reeds beschermd door alle wetten, ook en speciaal beschermd te worden door de Romeinse pontifex. In dit proces zijn alle rechtsregels bedriegelijk : men hoeft zich geen zorgen te maken hoe, op welke manier of in wiens aanwezigheid de waarheid is ontdekt, tenminste als ze ontdekt zou zijn, wat het geval is. En de Romeinse pontifex moet er zich nog minder zorgen dan een ander over maken, hij die door geen enkele band is gebonden.

Voetnota’s: (25) antonomasie is een veelvoorkomende stijlfiguur waarbij men de naam vervangt door iets anders om te kort opeenvolgende herhalingen van die naam te vermijden. (26) De eerste aangever was wel degelijk Esquieu de Floyran. Hij bezocht in 1305 de koning van Aragon te Lerida (Lleida) met een aantal betichtingen tegen de tempeliers maar de vorst stuurde hem wandelen en gaf er geen enkel gevolg aan. Vervolgens richtte Esquieu zich naar Parijs waar hij bij de legisten wel gehoor vond. Esquieu moet veel lef hebben gehad want in januari 1308 ging hij bij de koning van Aragon alsnog een premie vragen van 3000 zilveren munten, te verhogen met 1000 munten rente ! Volgens Dom Vaisette was het uitendelijk de Franse koning die Esquieu vergoedde door hem een aangeslagen tempeliershuis te schenken in Montricoux (Quercy). (27) Hier verwijst de auteur naar de oproep van Clemens op 6 juni 1306 aan de meester van het Hospitaal om te brainstormen over hulp aan de koningen van Armenië en Cyprus. Een gelijkaardig bevel werd zeker ook naar Molay gestuurd. (28) De auteur verwijst naar de absolutie die de ordemeester soms aan ridders gaf. (29) De auteur verwijst naar de hernieuwde bekentenissen van Molay die hij uitsprak op 25 oktober 1307 voor de leden van de Parijse universiteit. (30) Volgens een verslag van Jean Bourgogne aan de koning van Aragon citeerde Plaisians tijdens deze redevoering volgend mirakel: In de drosterij van Beaucaire bezocht een minderbroeder in de gevangenis zijn broer, die een tempelier was, en hij zette deze aan om te bekennen. De broer weigerde, waarop zijn keel begon te zwellen, zijn gezicht krampachtig vertrok, en er schuim op zijn mond kwam. De minbderbroeder herhaalde zijn verzoek en de tempelier bekende zijn dwalingen waarop de tekens verdwenen. (31) In december 1307 kwamen twee kardinalen naar Parijs om in naam van de paus beslag te leggen op de gevangen tempeliers. Hun komst deed Molay en Pairaud besluiten om hun bekentenissen te herroepen. (32) De auteur lijkt hier te verwijzen een argument in het memorandum van Molay aan de paus in verband met de fusie van tempel en hospitaal. (33) Dit is onzin van de auteur want slechts zeer weinig tempeliers wisten te ontsnappen aan de arrestatie in de door Filips gecontroleerde gebieden en zich te onttrekken aan de beschuldigingen. Een lijst daarvan vindt men in het Latijnse manuscript 10919 (folio 84) en die bevat slechts 12 namen.

______ 

7. Tweede redevoering van Plaisians te Poitiers (14 juni 1308)

Zeer Heilige Vader. U kent wat geschreven is door God, onze meester, schepper van onze wereld die niet gezondigd heeft : « Wie van u zal mij van zonde beschuldigen ». Hij richtte zich daarbij tot het joodse volk en heeft deze woorden als voorbeeld gelaten aan de toekomstige vicarissen van de Kerk van God met de bedoeling dat, wanneer ze zouden zondigen, ze het niet zouden minachten om beschuldigd te zijn van zonden omwille van eminente waardigheid, naar het voorbeeld van de gelukzalige Petrus die twee keer recividist was bij God en vervolgens ook bij Paulus, en met de bedoeling dat ze niet eender welke raad van minderen naast zich zouden neerleggen, een gedragsraad die hun gegeven wordt om de zonde en het consequente schandaal te vermijden. Het is inderdaad beter tussen te komen vooraleer een zaak compromitterend wordt en daarna pas een remedie te zoeken. En de Heer kan volgens het goddelijk woord aan de minderen reveleren wat voor de groteren heilzaam is.

Heilige Vader, ziehier zoals de zaak van de tempeliers zich aandient.

Een krachtige oproep richt zich naar God en naar U, zijn luitenant : nu kan het kaf van het koren worden gescheiden, weggenomen en in het vuur gegooid.

De katholieke koning, de koning van Frankrijk, niet optredend als beschuldiger, aangever of stuwende kracht, maar als minister van God, kampioen van het katholieke geloof, ijveraar van het goddelijke geloof voor de verdediging van de Kerk conform aan de tradities van de Kerkvaders, waarover hij dient rekening af te leggen bij God (alhoewel velen hem hebben gesuggereerd om de ketterij van de tempeliers op eigen autoriteit uit te roeien (34) , zoals men weet dat hem dat voorgeschreven is geweest door God en ingesteld door de Kerkvaders (35) ; en als een bepaalde autoriteit het tegenovergestelde beweert, dan moet men die niet volgen, maar eerder gehoorzamen aan God en zijn voorschriften), de koning dus, die zich tot Uwe Reverentie wendt als respectvolle zoon, heeft van u drie zaken gevraagd die absoluut noodzakelijk zijn om de vermelde perversie uit te roeien. Het eerste verzoek is dat er voor gezorgd wordt dat de gewone prelaten van zijn koninkrijk en andere prelaten van andere koninkrijken gestimuleerd worden om in hun respectieve bisdommen hun taak betreffende de tempeliers met zorg uit te voeren (36) . Het tweede verzoek is dat de schorsing die u uitgesproken heeft tegen de inquisiteurs -aangesteld door de apostolische autoriteit- moet worden herroepen (37) . Het derde verzoek is dat de orde van de tempeliers, die eerder beschouwd moet worden als een veroordeelde sekte, volgens apostolische provisie, uit de Kerk dient gedreven te worden, zoals een werkelijk nutteloze vaas vol van schandaal.

Daarop heeft Uwe Heiligheid geantwoord met algemeenheden, zonder iets specifiek te zeggen over dit geval (38) . U heeft gemerkt dat de geesten van de aanwezige toehoorders er zeer verrast door waren en dat dit bij iedereen tot een ernstig schandaal heeft geleid. Want de enen verdenken U ervan om de tempeliers te willen favoriseren, zoals men dat ook zegt van enkele van uw broeders. Men weet dat de tempeliers op verschillende plaatsen er zich met woord en schrift op hebben gesteund (39) . Anderen daarentegen stellen de zonde van de Tempeliers in twijfel bij, hetgeen duidelijk en zeker is, het zien van wat u geantwoord heeft alsof u er zelf over twijfelde. Vervolgens moet snel voorzien worden dat een en ander schandaal zal meebrengen over Uwe Heiligheid opdat, wanneer u werkelijk neiging heeft voor het juiste en het goede, u het zou kunnen bewijzen door daden en zodat uw werken in de ogen van de mensen zullen oplichten om God de Vader te eren volgens de doctrine van Jezus Christus.

Alhoewel men inderdaad niet in een dergelijk schandaal kan tussenkomen zonder zonde of zonder vergetelheid van eeuwige verlossing, zou men over het onderwerp kunnen antwoorden aan de auteurs van het schandaal : “laat doen, want ze zijn blind en begeleiders van blinden”, en zich daarna niet meer bezighouden met het schandaal. Evenwel, wanneer men kan tussenkomen zonder zonde, ook al is het anderzijds voordelig en geoorloofd om het niet te doen, dan dient men toch zo snel mogelijk te reageren, zoals dat wordt aanbevolen door de Evangelist, de apostolische en canonieke doctrine.

Ofwel, zoals de Apostel het heeft gezegd : “u doodt, hoewel onrechtvaardig, de zielen van hen die schandalig zijn en voor het heil van hen voor wie Christus dood is”. En het is daarom dat de Heer voor hem betaald heeft en bevolen heeft tol te betalen, opdat de anderen die Hem niet kenden als God niet in Hem zouden geschandaliseerd worden. Aldus zegt de Apostel, die het eten van vlees en andere voedingsmiddelen had toegestaan, tegelijkertijd om de ceremonieën te suprimeren omdat hij geen vlees meer zou eten in de toekomst om zijn broeder niet te schandaliseren, om de ziel niet te doden van zijn broer voor wie Christus dood is. En over hetzelfde heeft God gezegd : “Als uw oog u hindert, ruk het dan uit”. Wie zijn broeder schandaliseert, doet dat met mij, want wij zijn één lichaam in de Christus, wij zijn de ledematen waarvan het ene lijdt voor het andere en zoals de Apostel het zo goed zegt : “Een ledemaat van het lichaam kan niet lijden zonder dat de anderen dat doen.”

Aldus, familievader van het huis van God, weet gij dat op het huidig uur de duivel als een dief uw woning is binnengedrongen. Hij heeft u reeds heimelijk afgeleid van de schapen van de tempel die veranderd zijn in wolven en hij tracht degene weg te leiden die nog in de kudde zijn gebleven. Hij heeft uw huis doorboord, dat u heeft opgebouwd met getrouwen, bij wijze van stenen op de Christus die de hoeksteen is. Wees dus waakzaam, dat noch de slaap noch de terreur u bevangen, maar verzet u tegen de dief zoals een muur ter verdediging van het huis van God. Verjaag de dief, supprimeer het schandaal uit de heilige Kerk van God door de perversen te verbannen en troost tegelijkertijd de anderen met het woord, met werken en met het voorbeeld.

Want indien u dat niet prompt uitvoert, overweeg dan welke grote verwarring zal ontstaan voor Uwe Heiligheid ; groot, voorzeker, omdat de prinsen en volkeren het zelf zullen doen als ze zien dat u het niet doet. Inderdaad, we leven van het katholieke geloof, in haar bestaat wat wij zijn ; één lichaam met de Christus ; het is in haar en door haar dat we geroepen zijn in onze Heer Jezus Christus, wij, de zonen van God, zoals Johannes in het Evangelie zegt : en daaruit volgend zijn erfgenamen, als wij zijn zonen zijn, volgens de Apostel.

Bijgevolg, wie kan het katholieke geloof ontkennen, haar omkeren, zonder het gehele leven en de gehele inhoud van ons allen te raken ? Wie kan het hoofd, onze Jezus Christus, ernstig schaden of nog erger, het slaan tot het volledig gescheiden wordt, zonder het ganse lichaam aan te vallen. Indien dus de rechterarm, de arm van de Kerk, zich onthoudt van de verdediging van het heilige lichaam, zal de linkerarm, de wereldlijke justitie, zich dan niet oprichten voor haar verdediging ? En als beide armen dat niet doen, zullen de andere ledematen, de voeten en andere lichaamsdelen, zoals bijvoorbeeld de volkeren, zich niet oprichten om haar te verdedigen omwille van noodzakelijkheid ?

Inderdaad, juist daar is er gevaar waar er geen rechter, verdediger of minister is, onafhankelijk wie zich moet verdedigen, ook zijn meest nabije buur. Want, als hij het niet zou doen, dan stelt hij zich bloot aan verdoemenis, zoals het civiele recht en de decreten van de Kerkvaders dat onderwijzen. Inderdaad, hetgeen schade berokkent aan God, wordt beschouwd als een onrecht voor iedereen, zoals dat geschreven staat. Dus uit het voorafgaande resulteert dat u uw glorie, gekoppeld aan de dienst van God, zult moeten afstaan aan een andere en dat zou zeer schandelijk voor u zijn.

Ten tweede zou er nog een veel grotere verwarring uit kunnen ontstaan. Inderdaad, u loopt groot gevaar indien u alleen deze zaak verder behandelt. De aanvaller is inderdaad bedreigend. Als u hem niet snel wegwerkt zal hij aan kracht winnen. Of zelfs nog meer, het valt te vrezen dat hij de overwinning behaalt. Indien u nog langer aarzelt om tussen te komen, dan kan men niet ontkennen dat u uw tegenstanders favoriseert waardoor men u kan beschuldigen hun voorstander te zijn. Anastasius was op zichzelf een goede paus. Hij wilde heimelijk de ketter Acacius (40) terugroepen die hij nochtans zelf had veroordeeld. Hij aanvaardde niet diens dwalingen maar omdat hij met zachtheid wilde regeren en zich in de zaak van het geloof krachtig toonde zoals dat hoorde, werd hij geslagen door God en tevoren door de clerus afgezet wegens voorstander van de ketter (41) .

Want de Heer raadt aan zich te haasten het lam te eten. De verontrustende verwaarlozing van een prelaat wordt beschouwd als toestemming in de dwaling. Inderdaad, de dwaling waartegen men zich niet verzet, die keurt men goed, zoals de decreten van de heilige Vaders (42) ons dat leren. En in de ogen van God is het veel afschuwelijker om in een geloofszaak te procederen met vertraging dan om er zich volledig van te onthouden, zoals God dat zegt tegen een zekere andere prelaat : « Wat ge heet of koud aanpakt, bevalt de hemel. Maar als ge noch koud, noch krachtig zijt, maar lauw, dan zal ik u uit mijn mond beginnen uit te braken. »

Een derde verwarring zou kunnen volgen, een zeer ernstige en van dubbele aard : één daarvan is de ketterij van de tempeliers die zich vroeger verborgen hield maar nu tenminste zonneklaar is en die aan kracht zal winnen indien men wacht met het te doven, zoals een vuur dat lange tijd bedekt is, harder begint te branden als men het wil uitdoven en de huizen van de buren verbrandt. Want het grote aantal dat overblijft, zondigden naar hun voorbeeld en in de ganse wereld zijn nu vele zwakkere zielen verstoord in hun geloof. De tweede verwarring is dat de zwakke zielen geïrriteerd zullen zijn tegen de Romeinse Kerk die zich niet haast om tussen te komen en dat ze, juist door haar geschandaliseerd, haar discipline zullen misprijzen en zonden zullen begaan. O lijden !

Dus, heilige Vader, u ziet het vuur van de brandende schouw het huis van de besten verbranden. De ganse Kerk van Frankrijk, bij wie het vuur, dat tot nu toe verborgen was, net zoals in andere koninkrijken, zich heftig reveleert, de Kerk van Frankrijk, zeg ik, roept met de adem van haar devotie : « Brand, brand. Hulp, hulp. » Laat u niet overmeesteren door sufheid, slaap of de valstrikken van de duivel, t’is te zeggen door argumenten van bedriegelijke aard.

Want de aangegane discussies over een dergelijk proces zijn de ketens van de duivel, de testikels van Leviathan, waarmee hij de zotheid der volkeren verleidt. Anders zullen de muren van de buren instorten, hun huizen verbranden, en u, wat God niet behage, zult hetzelfde oordeel kunnen vrezen zoals dat van de grote priester Elias, die stierf toen hij van zijn stoel viel, het hoofd verpletterd of zoals dat van Anastasius die zo hard werd gestraft door God.

Moge God zijn Kerk verhoeden van deze gevaren die u en de uwen door uw toedoen lopen. De realiteit van de dwaling van de tempeliers is evident. Het is niet geoorloofd dat de prompte gerechtsadministratie in een zaak van het geloof zou gehinderd worden door de testikels en de kettingen van de duivel. Want dat is juist het bewaren van juridische vormen: door ze in een dergelijk proces net niet te observeren. En men moet zich niet ongerust maken te weten door wie de misdaden van de tempeliers zijn geopenbaard, zelfs al is dat voor leken gebeurd en niet voor de inquisiteurs of hun commissarissen of anderen waarvoor zij verschenen zijn. Iedereen die door de zaak wordt geraakt, wordt opgeroepen ter verdediging van het geloof.

Voetnota’s: (34) Zoals aangegeven in de consultatie van Pierre Dubois. (35) In feite is een groot deel van het schrijfwerk van de Kerkvaders uit de 2de tot de 4de eeuw het resultaat van hun strijd tegen ketterse bewegingen zoals de kerk van Mani of die van Arius. (36) Op dit verzoek ging Clemens pas in op 5 juli, na bijkomende onderhandelingen met het koninklijk kamp. (37) Dit deed de paus eveneens op 5 juli waarbij hij zegde dat de maatregel hem pijn deed. Hij vergaf daarbij ook de inquisiteur  Guillaume de Paris. (38) De auteur maakt een allusie op een kleurloze redevoering van de paus voor het consistorium van 29 mei. (39) Men heeft het hier over een memorandum, dat gekend was door historicus Pierre Dupuy, maar vandaag verdwenen is uit de Nationale Archieven. Daarin werd allusie gemaakt op de hoop van de tempeliers, nog gegroeid nadat Hugues de Pairaud op diner werd uitgenodigd door de kardinalen Bérengér Fredol en Etienne de Suissy. Men kan zich de vraag stellen waarom Pairaud werd uitgenodigd en niet Molay. (40) Acacius was vanaf 472 de patriarch van Constantinopel. Wegens een aantal conflicten van religieuze en politieke aard met zijn collega in Rome, werd de man geëxcommuniceerd en ontstond het Acaciaanse schisma (484-519).  Acacius beriep zich op canon 28 van Chalcedon die aan de patriarch van Constantinopel het primaatschap van het Oosten toekende. (41) De auteur maakt een allusie op de beroemde legende van paus Anastasius II (496-498) die door Dante in zijn Divina Commedia werd vereeuwigd en hem in de hel situeerde. In feite zocht Anastasius naar een verzoening met Constantinopel maar zijn Romeinse clerus was het daar niet mee eens. (42) De geschriften van de Kerkvaders bezaten in de middeleeuwen een zeer grote autoriteit. De spreker maakt er tijdens zijn argumentatie regelmatig gebruik van.

FINIS


Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress