Willy Vanderzeypen

25/02/2008

De tempeliers van de Roussillon: Mas Déu

Geplaatst onder: De tempeliers van de Roussillon: Mas Déu — Willy Vanderzeypen @ 19:15

De tempeliers van de Roussillon :

HET DROOGLEGGEN VAN DE VIJVERS ROND MAS DEU

Willy Vanderzeypen - 2008

In de middeleeuwen was de vlakte rond Perpignan een gebied met talrijke lagunes, vijvers en moerassen. In vele oorkonden worden dorpen vermeld met in hun nabijheid één of meerdere grote plassen zoals Banyuls-dels-Aspres, Mailloles, Ponteilla en Bages. Belangrijke lagunes lagen op het grondgebied van Nyls. Buiten wat vis brachten ze niets op of waren zelfs een hinder voor de bevolking door de muggenplagen.

Tegen het einde van de 12de eeuw begon men langzamerhand deze waterzieke terreinen tussen de twee rivieren Tech en Têt droog te leggen. Zo verdween rond 1170 een eerste vijver ten noorden van Perpignan. De opdrachtgever was de laatste graaf van de Roussillon (comtat de Rosello), Girard II.

Met historische zekerheid weten we dat een aantal andere werken werden uitgevoerd in opdracht van de tempeliers. Die hadden zich vijftig jaar eerder in de streek gevestigd en werden met open armen ontvangen hetgeen bewezen wordt door de overvloed van schenkingen.  Tussen 1180 en 1190 liet de orde volgende vijvers droogleggen : de vijver van Caraitg te Ponteilla, de vijver Sabadell te Nyls en de vijvers van Bages en Bajoles. De impuls daartoe kwam vanuit de hoofdcommanderij van Mas Déu, gelegen op een lage heuvel in de buurt van Trouillas, en gesticht in 1138. Na verloop van tijd was dit één van de belangrijkste werkgevers in de streek.

Het volledige artikel kan u inkijken door hieronder op (meer…) te klikken 

Voor het historisch onderzoek van de orde van de tempelieren is Mas Deu een droom : het cartularium van deze commanderij bevat liefst 850 middeleeuwse stukken die bijna de gehele geschiedenis van de tempelmilitie in de Roussillon vertellen en dat vanaf de eerste schenkingen aan tempelier Hugues Rigauld tot de laatste transacties in Perpignan, waar de tempeliers bevoorrechte inwoners waren met veel macht en bezit. Uit deze oorkonden weten we wie bij de tempeliers de belangrijkste verantwoordelijke was voor de droogleggingen: Père van Aiguaviva, preceptor van de hoofdcommanderij van Mas Déu.

Een drooglegging van een groot terrein is natuurlijk geen sinecure en vergt de inbreng van heel wat materiaal, arbeiders en kapitaal. Wellicht konden de gemeenten of kleine feodale heren dit niet zelf opbrengen en waren dergelijke projecten uitsluitend weggelegd voor de beurs van machtige heren of grotere orden zoals de benedictijnen, cisterciënzers, hospitaalridders of tempeliers. De drooglegging van de vijver van Canohès werd waarschijnlijk uitgevoerd door de benedictijnen van de rijke abdij van Lagrasse.

Ook de tempelmilitie in de Roussillon was wel degelijk in staat om dergelijke projecten tot een goed einde te brengen. Ze hadden immers de middelen : rond 1230 was hun wereldlijke macht superieur aan het persoonlijke fortuin van de koning.  Zeker, grote abdijen zoals Lagrasse en Fontfroide waren nog rijker dan de tempel, maar hadden toch minder impact op hun omgeving. De hospitaalridders waren in de Roussillon zwak vertegenwoordigd.

Nochtans zijn de gebruikte methoden van drooglegging in de Roussillon eerder eenvoudig. In de meeste gevallen gaat men een open kanaal graven om de leeg te maken vijver te verbinden met een nabije beek of rivier. Dat laten weglopen van het water werd vergemakkelijkt door het feit dat de vlakte naar het oosten in de richting van de Middellandse Zee afhelt. In de gekende documenten, en die zijn dus talrijk, wordt niet gesproken over ondergrondse draineringen of tunnels (coves) zoals de benedictijnen die bij de vijver van Canohès wel hebben toegepast. Bij de vijver van Bages waren er echter meer werken noodzakelijk, met de uitgraving van een geruit patroon van secundaire grachten die uitkwamen in een hoofdkanaal (agulla).

De tempeliers waren goede zaakvoerders en lieten deze werken alleen uitvoeren nadat ze eerst alleeneigenaar van het terrein waren geworden. Terecht, want na de drooglegging verhoogde de waarde van het terrein enorm en zouden de medebezitters wel eens meer geld vragen om door de tempeliers verder uitgekocht te worden. Meestal was de prijs voor een vijver of moeras erg goedkoop en soms kreeg de tempelorde een en ander geschonken in ruil voor religieuze diensten zoals het begraven van de weldoener op hun kerkhof. Zorgvuldig verwierven de tempeliers zich steeds een passagerecht voor de afvoering van het water over nabijgelegen gronden via kanalen.

De door de tempeliers drooggelegde vijvers bevonden zich steeds in zones waar hun orde sterk was ingeplant zodat hun eigen werkmannen (propris) zich niet ver hoefden te verplaatsen. Bovendien beschikte de commanderij over slaven zodat men kan denken dat de arbeidskosten relatief laag waren. Toch maakten de tempeliers ook gebruik van betaalde werkkrachten. Over de technische uitvoering van de werken zijn de documenten spijtig genoeg uiterst stil maar bij een bezoek aan het terrein wordt een en ander toch duidelijk, ook vandaag nog.

DE VIJVER VAN SABADELL (Stagnum Sabateli, Estany Sabadell).

Deze grote vijver lag halfweg tussen Nyls en de commanderij van Mas Déu. De plas bestond in feite uit twee stukken, een op 65 meter hoogte en het andere op 62 meter hoogte. Volgens de oorkonden was dit de eerste vijver die de tempeliers aankochten. Ze deden dat in 1170 bij Bernat van la Roca, voor een bedrag van 1500 sous van Melgueil. De drooglegging werd niet onmiddellijk uitgevoerd. Pas in 1183 werd met de werken begonnen, na de aankoop bij Guilhem van Montesquieu voor 400 sous van zijn deel van de vijver, liggend op het grondgebied van Nyls. Door deze bijkomende aankoop sloot de vijver mooi aan op de terreinen die de tempeliers reeds ten zuiden van die gemeente bezaten.

De operatie werd dus nauwkeurig voorbereid. In de akte staat dat hij de vijver verkocht met de bodem, de grond en het water, en alle verbeteringen die de tempeliers er zouden kunnen aanbrengen. Bovendien gaf de verkoper aan de tempeliers de eeuwige toelating om het afgevoerde water over zijn naaste bezittingen te laten passeren.

Er is wel een klein probleem met deze oorkonde want het draagt mede het teken (signum) van graaf Girard II en die was in 1183 al elf jaar dood en had zijn graafschap afgestaan aan de koning van Aragon. Men hoeft daarbij niet onmiddellijk te gaan denken aan een vervalsing, maar eerder aan een vergissing, of aan het feit dat het grafelijk zegel postuum nog steeds werd gebruikt.

Blijkbaar bezaten de tempeliers daarmee nog niet de gehele plas van Sabadell want in 1200 schonk Arnau Tizon van Toulouges alles aan de orde wat hij bezat in deze vijver en gaf hun de toelating om het water te laten afvoeren over zijn gronden. Het kan er ook op wijzen dat de vijver uit meerdere natuurlijke delen bestond, wat bevestigd wordt door het hoogteverschil, en dat deze akte dus te maken heeft met het tweede gedeelte van de plas. Men gebruikte tijdens de droogleggingen twee afvoerkanalen, namelijk de natuurlijke ravijn van Jouncasse die reeds bestond en slechts hoefde aangepast te worden, en de ravijn (correch) van Ripoll wat het overblijfsel is van een kunstmatig kanaal die het water afvoerde naar de Réart. Tijdens de aanleg van de autostrade A9 kon men even de contouren van dat tweede diepe en rechte kanaal opnieuw goed zien. Uit dit alles besluiten we dus dat de drooglegging van deze vijver in twee fasen werd uitgevoerd.

DE VIJVER VAN CARAITG

Deze vijver lag iets hoger, namelijk op 72 meter, en was indertijd te zien aan de westelijke kant van de heuvelkam Serrat de Caraitg. De plas lag dus iets ten noorden van de weg (ongeveer 500 meter) van Nyls naar Ponteilla, halfweg tussen deze twee dorpen. Op de nog steeds witte grond van de vroegere bodem staan vandaag wijngaarden.

De kosten van de aankoop en droogleggingswerken waren hier beduidend duurder dan voor de vijver van Sabadell. In 1183 kocht dezelfde preceptor van Mas Déu een deel van Arnau van Mudagons et zijn vrouw Guillelma voor een bedrag van 2000 sous Melgueil, plus een paard ter waarde van 250 sous en twee koeien. Deze verkoop zou in 1195 nog eens bevestigd worden door dezelfde Guillelma na het overlijden van haar man, maar ze vraagt dan wel een bijkomend bedrag van 170 sous.

Daarmee waren de tempeliers echter nog steeds niet de alleeneigenaars want in 1183 gaven Gaubert, burggraaf van Castelnou, en zijn vrouw Sorina hen hun deel van de vijver en een aanpalend terrein. Nog altijd was de operatie niet rond want we zien de tempeliers ook lagergelegen gronden aankopen van Arnau van Canohès, Bernat van Nyls, en Aladaïdis en Ramon van Nyls, en dit tussen 1184 en 1187.

Vermoedelijk vonden de werken van deze drooglegging plaats in 1187. Er werd een wat slingerend kanaal gegraven dat het vijverwater afvoerde naar de Canterane met een verval van 7 meter. Een attente observator kan het kanaal nog steeds zien maar het is na meer dan achthonderd jaar geërodeerd tot iets wat op een natuurlijke ravijn lijkt. Waarschijnlijk was men met de werken in hetzelfde jaar klaar en kon de grond vervolgens bewerkt worden, want de bisschop van Elne en Ramon van Canet, de nieuwe preceptor van Mas Déu, bereikten een overeenkomst over de te betalen tienden. Elk jaar moesten de tempeliers aan de kerk van Elne elf maten gerst en drie maten graan overdragen als tienden voor het op de natuur gewonnen terrein.

DE VIJVER VAN MAILLOLES

De drooglegging van één van de vijvers van Mailloles vond pas plaats in de helft van de 13de eeuw, en zeker niet eerder want in een akte van 1237 spreekt men dan nog steeds over een estanyol. Vanaf 1252 is het land alleszins bewerkbaar want de tempeliers staan dan stukken grond af, of verpachten ze. Maar over de drooglegging zelf wordt in de oorkonden niets vermeld.

DE VIJVER VAN BAGES

Ten noorden van Bages is de kom van de moerasvijver nog steeds goed zichtbaar. Bij heftige regens verschijnen ook nu nog enorme plassen en er groeit gras op de meest vochtige plekken.

In 1181 gaven Béranger van Bages en zijn vrouw Sorimonda deze vijver aan Ramon van Elne, op dat ogenblik de dispensator van Mas Déu. In de akte staat vermeld dat de tempeliers de vijver zouden droogleggen en een afvoerkanaal aanleggen met meerdere bijkomende drainages. Maar de tempeliers werden door deze akte nog niet de alleeneigenaars. De slimme schenker bleef na de drooglegging eigenaar van de helft. In de akte staat ook nog dat hij een paard en zijn wapens aan Mas Déu gaf in ruil voor een begrafenis op het kerkhof naast de tempelierskapel. Hij was dus van plan om zich als oblaat aan de tempel te geven. De oorkonde is mede ondertekend door Béranger van Avignon, de toenmalige tempelmeester van Spanje en de Provence. De plechtigheid vond plaats in de kapel van Sainte-Marie del Prat te Bages.

Interessant is dat in deze akte duidelijk staat hoe de werken moesten worden uitgevoerd, met een hoofdkanaal (agulla maior) en meerdere secundaire kanalen in een geruit patroon. De naam van dit hoofdkanaal is in de loop der tijden verbasterd of veranderd tot Agulla de la Mar. Het ontwateringssysteem is hier dus vrij complex. Het is tevens de grootste vijver die de tempeliers in de streek tot akkers of weiden hebben omgevormd, met meerdere honderden hectaren grondwinst. Ze hebben daarbij gebruik gemaakt van bestaande natuurlijke ravijnen zoals die van Riberette en van Diluvi.

Tegelijkertijd verkocht Béranger van Bages een tweede vijver (die van Bajoles) en een veld voor de som van 800 sous de Melgueil aan dezelfde tempeliers. Die vijver lag aan de andere kant van de weg (via publica) tussen Bages en Villeneuve dan de eerst aangekochte. Later moest Ramon van Elne, de preceptor van Mas Déu, nog eens in zijn duitenzak graaien om vrouwe Aladaïdas van la Roca voor een bedrag van 500 sous uit te kopen. Wellicht gaat het hier over de helft van die andere vijver, die Béranger in 1181 had behouden, en die Aladaïdas later van hem heeft geërfd.

In de laatste fase van de verwerving van deze twee vijvers te Bages moesten de tempeliers ook de toestemming verkrijgen van de koning van Aragon, die dat pas deed in 1195 toen de vijver reeds volledig was drooggelegd. Sommige stukken van het nieuwe land werden in cultuur gebracht terwijl de meest vochtige dienden als weiden voor paarden en koeien.

Tot slot moesten de tienden worden geregeld en dat gebeurde in 1196. Koning, bisschop en tempeliers kregen elk een derde daarvan. Dat is eerder ongewoon want de paus had in de bevoorrechting van de tempeliers aangedrongen om de tienden volledig aan de orde te laten. De tempeliers van de Roussillon maakten blijkbaar geen of weinig gebruik van dit voorrecht wat zou bijdragen tot een goede verstandhouding met de kerkelijke en wereldlijke overheid.

In 1204 zag koning Père II van Aragon echter af van zijn deel der tienden waardoor die vervolgens verdeeld werden tussen uitsluitend de tempeliers en de kerk van Elne. Tussen de tempeliers van de Roussillon en de katholieke clerus heeft steeds een goede verstandhouding bestaan wat zeker niet overal in het westen het geval was. De totale operatie heeft op dat ogenblik meer dan 20 jaar lang geduurd. De beslissing van de koning paste in zijn politiek. Zijn huis heeft steeds uitstekende relaties gehad met de militaire orden van wie de steun tegen de Spaanse moren en Saraceense zeerovers zeer welkom was. In zijn strijd met het kruisvaartleger van Simon de Montfort (Muret, 1213) bleven zij echter afzijdig.

Deze talrijke droogleggingen in de omgeving rond Mas Déu zorgden niet alleen voor extra werk, meer cultuurgewassen en graslanden voor de veeteelt, maar waren ook een zegen voor de volksgezondheid want de waterplassen waren steeds een bron van malaria geweest. Op die manier waren de tempeliers van de Roussillon rond 1200 perfect geïntegreerd in de feodale Catalaanse maatschappij, en dat niet alleen militair maar ook economisch en sociaal. Alleen enkele vissers zagen die droogleggingen minder goed zitten.

Wie dit allemaal ten velde wil gaan bekijken, dient zich best te voorzien van een stafkaart (carte IGN).

HoofdbronCartularium du Temple (of Llibre de la Creu of Fonds du Temple), reeks B en H, Latijn, Archives Départementales des Pyrénées-Orientales. (n°: 19, 81, 84, 191, 212, 235 244, 342, 398, 424, 844, 850)
Werken : BRUTAILS J.A. Etude sur la condition des populations rurales du Roussillon au Moyen Age, Parijs 1891. ~~ VINAS R., L’ordre du temple en Roussillon, Canet, 2001. ~~ VAN BUYTEN Y. & VANDERZEYPEN W., De tempeliers, huurlingen van de paus, 2006.

Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress