Willy Vanderzeypen

16/02/2011

GUILHEM GARNERS VAN LANTA, ossendrijver, kathaarse agent en sergeant te Montségur

Geplaatst onder: Montségur — Willy Vanderzeypen @ 10:30

GUILHEM GARNERS van LANTA

ossendrijver, kathaarse agent en sergeant te Montségur

- Voor Johan Verweirder -

Guilhem Garners van Lanta is een eenvoudige ossendrijver in een grote boerderij op het platteland van Toulouse. Gedurende vele jaren en in extreme omstandigheden beschermt hij dagelijks kathaarse vrouwen die zich moeten verbergen voor de ketterjagers van de inquisitie. In de zomer van 1243 moet de man echter zijn geboortestreek verlaten en trekt naar het nog steeds vrije versterkte dorp (castrum) van Montségur, ondanks het beginnende beleg daarvan door de kruisvaarders. Hij wordt sergeant in de troep van de militaire verdedigers onder het commando van Peire Roger de Jonge van Mirepoix, net zoals een andere streekgenoot van hem, Imbert van Salles. Maar bij de overgave van het kathaarse castrum in 1244 is de keuze van beide sergeanten niet dezelfde…

Guilhem werd nooit door de inquisitie gearresteerd en bijgevolg bestaat er ook geen verklaring van hem voor de rechtbank. Toch is hij één van de weinige personages uit die periode waarvan de documentatie voldoende rijk is om alsnog veertien jaar van zijn leven te kunnen beschrijven. Zijn avonturen sluiten bijna naadloos aan bij de belevenissen van zijn belangrijkste beschermelinge, de bonne femme Arnolda van Lamothe. Van haar kunnen we in het archief van de Nationale Bibliotheek van Parijs wel een getuigenis inkijken, en wat voor één!

De boer moet indruk hebben gemaakt op zijn tijdgenoten want talrijk zijn de getuigen die voor de rechtbank spreken over zijn gevaarlijke clandestiene handelingen. We vinden ze vooral in volume 23 van het Fonds Doat. In de procesverbalen noteren de middeleeuwse klerken zijn naam als: Willelmus Garneriis of Garners, en ook de Lantario of de Lantaresio. Het is dus even uitkijken wanneer we de documenten uitkammen op zoek naar deze man.

Het volledige artikel kan u inkijken door hieronder op (meer…) te klikken 

Ossendrijver en kathaarse agent

Zijn werk doet Guilhem Garners bij de familie Auriol, in de mas van Lassere te Odars, nabij Lanta. Dat is een welvarend dorp op het platteland van Toulouse waar het katharisme zich stevig bij de bevolking heeft geworteld. Vanaf 1230 is zijn leven intiem verbonden met het lot van twee bonnes femmes van de stad Montauban, Arnolda en Peironna van Lamothe.

Van nobele afkomst waren deze zusters reeds op jeugdige leeftijd gewijd tot katharen, kort voor 1209 en het uitbreken van de kruistochten, en op aansturen van hun moeder Austorgua. De plechtigheid vond plaats te Villemur, een centrum van kathaarse activiteit in de Tarnvallei ten noorden van Toulouse. Hun consolamenta werden toegediend door diaken Raimon Méric.

Maar enkele jaren later, in 1212, verzoenden zij zich allebei met het roomse geloof. Arnolda vertelt als ouderlinge tegen inquisiteur Ferrer waarom: “Mijn zuster en ik hadden teveel schrik voor de vervolging, keerden terug naar Montauban en verlieten de sekte van de bonnes femmes. We aten vlees en werden verzoend door de (katholieke) bisschop van Cahors.”

Twee jaar later wenden ze zich echter spiritueel terug naar de naamloze kerk van de katharen onder invloed van de kathaarse diaken Bernat van Lamothe, wellicht een familielid, die de zusters opnieuw wijdt. In de kathaarse kerk kon dat, uittreden en terug intreden. Gedurende tien jaar mogen ze dan in vrede leven te Montauban, een stad die in de handen blijft van de Occitanen tijdens de kruistochten onder leiding van Simon en Amaury Montfort. Soms verblijven de zusters ook te Villemur, tenminste wanneer de situatie dat toeliet.

In 1226 herbeginnen de moeilijkheden met de aanvang van de koninklijke kruistocht tegen het graafschap van Toulouse. De zusters vinden gastvrijheid en bescherming in die hoofdstad waar ze mogen verblijven in de stadshuizen van landelijke ridders.

Na het vredesverdrag tussen de graaf en de Franse koning, en met de installatie van de inquisitierechtbank in zicht, sturen hun beschermers de bonnes femmes voor alle zekerheid naar de Lauragais, een landelijke streek ten oosten van Toulouse en het epicentrum van het Occitaanse katharisme. Ze verblijven in een mas nabij Tarabel waar ze een jaar lang worden gehuisvest door de familie Rouaix, en waar Guilhem Garners ze voor het eerst ontmoet. Vervolgens vinden ze toevlucht bij de familie Saquet in een versterkt huis nabij Lanta.

In 1234, met de inquisitie van Toulouse stilaan op kruissnelheid, gaat de gemeenschap van kathaarse gelovigen van Lanta de twee vrouwen toevertrouwen aan Guilhem Garners, zijn broer Arnaut en zijn neef Bernat Sudre. De drie mannen verbergen Arnolda en Peironna in een hut diep in het bos, en gedeeltelijk uitgegraven in de grond. Dagelijks komen ze voedsel brengen. Peironna sterft echter en wordt in het bos door haar zuster en de drie mannen begraven.

Guilhem Garners gaat voor Arnolda een nieuwe socia zoeken, en dat is een eenvoudige gelovige met de naam Jordana Noguier. Het is Arnolda zelf die haar nieuwe gezellin het consolament toedient en dat is één van de weinige wijdingen door een vrouw die in de documenten zijn geattesteerd. Maar het kon dus en was tevens geldig volgens de religieuze normen van de katharen, die geen theologisch verschil maakten tussen man en vrouw.

De vrouwen kunnen twee maanden verblijven in de mas van Jordana’s broer maar moeten dan terugkeren naar de ondergrondse schuilplaats. Ze worden er bezocht door de kathaarse diaken Bonnafous zodat zij de ceremonie van het aparelhament of servisi kunnen uitvoeren. Dat is een ritueel van monastieke schuldbekentenis, dat in principe maandelijks wordt opgezet in de gemeenschappen van bons hommes en bonnes femmes door hun plaatselijke diaken.

Guilhem Garners en zijn neef bouwen een nieuwe hut in een ander bos waar hun beschermelingen slechts vijf weken kunnen blijven. Vervolgens trekken ze naar een hut in een ander woud en blijven daar amper een week totdat Garners een veiligere schuilplaats vindt in een woud dichtbij het dorp Lanta. Daar kunnen ze een jaar verblijven en worden van voedsel voorzien door Guilhem en nog andere kathaarse gelovigen, die tijdens hun bezoeken de vrouwen ritueel begroeten en van het door hen gewijde brood meeëten. Dezelfde diaken duikt terug op voor een nieuw aparelhament.

In 1236 begint de inquisitie haar eerste grote onderzoek in de Lauragais. De twee bonnes femmes zijn verplicht om hun omzwervingen te hernemen, waarbij ze nog steeds geleid worden door de trouwe Guilhem Garners. Een hut, een hooizolder, een koeiestal, een tent in het bos en soms enkele dagen van wat meer comfort in het huis van een gelovige die dat nog durft, dat is hun programma. Arnolda heeft dan een andere socia, Guillelma Cayrol. Was Jordana ondertussen gestorven of teruggekeerd naar het wereldse leven? Dat weten we niet.

In de jaren 1240-41 vinden we Arnolda meestal in het huis van Assaut, een ridder die nooit weigert om haar te verbergen of een andere vorm van hulp te bieden. Wanneer Arnolda zijn huis bezoekt, begroeten alle leden van de familie haar volgens het ritueel van het melhorament  en eten van het door haar gewijde brood. Wanneer het veilig is en men voldoende tijd heeft om het te kunnen organiseren, komen vele andere edelen naar het huis van Assaut om Arnolda en haar socia te zien.

Ondertussen zorgt Guilhem Garners nog voor andere kleine gemeenschappen van kathaarse vluchtelingen en fungeert als verbindingsman tussen de verspreide groepjes. Hij doet dat uitstekend want het is pas in 1242 dat hij Arnolda en Guillelma voor het laatst ziet, in het bos van Lagarrigue, samen met nog andere bonnes femmes. De mazen van het inquisitienet sluiten zich onverbiddelijk en in de zomer van 1243 worden de twee vrouwen door de soldaten gearresteerd in een ander bos waar ze drie weken hadden gecampeerd.

 

Sergeant te Montségur

Een ontgoochelde Garners vreest op zijn beurt te worden gearresteerd wegens medeplichtigheid. Hij weet immers dat Arnolda als bonne femme niet mag liegen volgens haar religieuze beloften, ook niet voor het tribunaal.  Voor altijd verlaat hij de Lauragais en begeeft zich naar het zuiden, naar de bergen in de verte, en iets daarvoor de pog van Montségur, nog steeds vrij. Hij kom net aan vooraleer de belegeraars beginnen aan een omsingeling. Commandant Peire Roger aarzelt niet om hem in zijn leger op te nemen en hem wapens te geven. Guilhem krijgt een eenvoudige cabane als woonplaats, maar dat is de vroegere ossendrijver gewend.

Peire Roger de Jonge van Mirepoix is de enige ridder van het castrum waarover de bronnen ons zeggen dat hij een leger had. Het is een verzameling van ridders, schildknapen, kruisboogschutters en sergeanten te voet. De manschappen moeten steeds alert zijn om een onverwachte aanval te kunnen afweren, hetgeen ze bijna een jaar lang zouden volhouden. De sergeanten verlaten heimelijk het castrum om voedsel te gaan aankopen of om bons hommes en bonnes femmes tijdens hun verplaatsingen te escorteren. Wanneer Garners in het castrum aankomt, kan dat allemaal alleen nog maar gebeuren in zeer gevaarlijke omstandigheden.

Planmatig was dat garnizoen niet samengesteld. Het evolueerde naargelang de aankomst van versterkingen. Een ridder die een familielid in het castrum kwam bezoeken, of er enkele maanden verbleef, was steeds een potentiële strijder. Toch bestond het leger hoofdzakelijk uit eenvoudige soldaten: de sergeanten (servientes) en de kruisboogschutters (balisatarii), waarvan we zestig bij naam kennen. Met zekerheid was het Occitaanse garnizoen van Montségur nooit groter dan 100 soldaten. Alles was goed georganiseerd met ijzervreter Peire Roger als hoofdbevelhebber,  bijgestaan door ridders met de meeste oorlogservaring als zijn officieren.

De sergeanten zijn van eenvoudige komaf en we weten niet veel van hun leven, al zijn er uitzonderingen zoals Imbert van Salles en Guilhem Garners. Zonder twijfel zaten er ook gelukszoekers, rabauwen en huurlingen tussen. Hun soldij wordt betaald uit de geldschat van de kathaarse kerkgemeenschap. Volgens hun regel mochten de katharen zelf niet vechten. Het is wel uiterst merkwaardig om te zien hoe deze beroepsmilitairen zich allemaal na verloop van tijd beginnen te gedragen zoals goede gelovigen, met respect voor de katharen, hun ritueel begroetend, luisterend naar hun sermoenen en deelnemend aan consolamenta. Zelfs de meest geharde krijger was niet ongevoelig voor hun religieuze ernst en de overtuigingskracht van hun prediking.

Garners ziet sergeanten die hun vrouw of concubine hadden meegebracht. Zijn liefde lijkt platonisch gereserveerd geweest te zijn voor een bonne femme, Arnolda, die op dat ogenblik in Toulouse in de cel zat en tegen de inquisiteur overvloedig zou beginnen praten over zijn activiteiten als haar beschermer. Sommige sergeanten hebben ook familie bij zich: een zuster, broers, vader, zonen,… Ze vormen kleine familiale cellen die het leven van de gemeenschap delen. Garners is alleen. Zijn broer en neef zijn hem niet gevolgd. In hun plaats heeft hij nu een grote spirituele familie waarvan de leden hem op gelijkwaardige voet behandelen.

Van alle bewoners zijn de sergeanten het slechtst gehuisvest. Soms krijgen ze een hoekje in de versterkte woningen van de ridders, soms in de huizen van de bons hommes of bonnes femmes, en dikwijls een eenvoudige hut zoals Garners. Het is in zijn cabane dat men ridder Bertran van Bardenac binnenbrengt nadat deze dodelijk gekwetst was tijdens gevechten in februari 1244 en er snel een consolament krijgt, wat Garners wellicht aan het denken zet. Hieruit zou men kunnen afleiden dat zijn hut aan de rand stond van de versterkte zone van het castrum.

Een maand later staat zijn besluit vast. Tijdens de onderhandelde wapenstilstand van twee weken voorafgaand aan de overgave, vraagt Guilhem Garners aan de kathaarse bisschop Bertran Marty om eveneens een consolament te krijgen. Hij heeft zijn keuze gemaakt en wil niet vrijuit vertrekken naar de wereld zoals zijn collega Imbert van Salles. Een wereld waarin Guilhem toch geen toekomst heeft, en zijn ziel zeker niet. Wellicht dacht hij dat zijn vroegere beschermelinge Arnolda ook zou verbrand worden na in haar jeugd wederafvallig geweest te zijn. En zo wordt Guilhem Garners, samen met twee ridders, op 13 maart tot kathaar gewijd en zou dat slechts drie dagen van zijn aards bestaan zijn, vooraleer met 220 anderen in de vlammen van de massabrandstapel te verdwijnen.

Zijn voorbeeld werkte aanstekelijk want tijdens die laatste dagen vroegen nog 13 andere sergeanten om een wijding tot kathaar, waaronder twee met hun vrouw. Vervolgens begonnen ze net zoals alle andere bons hommes en bonnes femmes hun geld, voedsel en kledij weg te geven aan degenen die wel zouden vertrekken. Veel zal Guilhem Garners wel niet gehad hebben.

Over het lot van Arnolda had Guilhem zich volkomen vergist. Net zoals in 1212 voor de katholieke bisschop van Cahors, zwoer ze opnieuw uit schrik voor inquisiteur Ferrer haar kathaarse geloof af. Ze deed dat op 13 augustus 1244, na twee dagen eerder een zeer lange verklaring te hebben afgelegd van liefst 47 folio’s recto verso (Doat, 23, 2a-49b). Na al die jaren van omzwervingen in de Tarn, het Tolozaanse en de Lauragais, kende zij vele namen van kathaarse gelovigen en symphatisanten waaronder lieden van hoge rang op het platteland en patriciërs in de stad. Wellicht voerde de inquisitie propaganda met haar talrijke onthullingen. Het was alleszins een zware morele klap voor het netwerk dat haar 14 jaar lang uit de klauwen van de inquisitie had kunnen houden.

Haar socia, nog steeds Guillelma Cayrol, zwichtte niet en nam dezelfde keuze als Guilhem Garners, zonder enige angst voor de vlammen van de brandstapel, waarvan beiden wisten dat die alleen het lichamelijke omhulsel kunnen vernietigen, en zeker niet hun ziel.

Montségur / Baraigne - februari 2011 

  

Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress