Willy Vanderzeypen

29/05/2013

De Onbevlekte Ontvangenis van Maria

Geplaatst onder: mariologie — Willy Vanderzeypen @ 12:07

Voor mijn volledige bibliografie doorrollen tot onderaan.  Dank u !

De Onbevlekte Ontvangenis van Maria… door haar ouders

Willy Vanderzeypen - mei 2013 

Bijna duizend jaar lang heeft een bijzonder theologisch vraagstuk gezorgd voor heftige debatten in roomse kring. Daarbij bezon men zich over de conceptie van de Maagd Maria als embryo door haar ouders. Was die conceptie bevlekt of niet? Zowat alle geleerden en vele pausen spraken zich uit over deze vrome zaak, maar allesbehalve eensgezind. Bernardus van Clairvaux gaf eveneens zijn mening en dat kostte hem een zwarte legende. Aan de middeleeuwse universiteiten werd hierover stevig getwist. Kerkelijke concilies wisten niet goed welk standpunt in te nemen. Op dezelfde marktplaats stonden predikheren en minderbroeders over deze zaak het tegenovergestelde te prediken voor het volk.

Dit prangende theologische vraagstuk over de conceptie van Maria is tevens onlosmakelijk verbonden met die andere en meer bekende van de geïncarneerde Christus door de op dat ogenblik volwassen Maria, zonder enige tussenkomst van een man. Beide concepties, de hare en de Zijne, worden zeer dikwijls met elkaar verward, ook vandaag. 

Vanuit een eerder vroom volksfeest met oosterse en apocriefe inspiratie werd de idee van de onbevlekte ontvangenis van Maria door haar moeder Anna in de 19de eeuw door de paus vastgelegd in een dogma. Dat gebeurde na veel gepalaver en uitsluitend in het Westen waarbij de vroege middeleeuwse scholastiek dit idee zelfs als ketters bepaalde.

Ook de aan Rome ongehoorzame christenen, van de naamloze bewegingen die men vandaag “katharismen” noemt, namen in de 12de en 13de eeuw deel aan deze discussie. Hun denkers ontwikkelden wel degelijk een eigen en originele mariologie. Het specifieke vraagstuk over de conceptie van Maria losten de katharen op door haar als een louter spiritueel wezen te zien. Zij is een engel, net zoals nadien de haar door God gezonden engel en boodschapper Jezus. De kathaarse theologie ontkende inderdaad “de menswording in vlees” van Christus, of de materiële echtheid van zijn menselijke lichaam, hetgeen men ‘docetisme’ noemt.  En zij deden dat ook consequent met Maria. Bovendien kenden de katharen geen heiligencultus van wie dan ook.

Het volledige artikel kan u inzien door hieronder op  (meer…) te klikken. 

1. Het ontbreken van een mariale cultus tijdens de eerste eeuwen

De meeste bijzonderheden over het leven van Maria vinden we in het evangelie volgens Lucas. Gedurende het openbare leven van haar zoon Jezus verschijnt zij zelden op het toneel. Op Golgotha staat ze wel bij zijn kruis (Jo.19,25) en blijft nadien in de buurt van de eerste groep apostelen. Wellicht vergezelde zij later de leerling Johannes naar Efeze, zoals Jezus hem dat op het kruis had gevraagd.

In de joodse terminologie van die tijd is de term ‘maagd’ (Hebreeuws: ha-almah) een dagelijks woord, zonder morele bijklank. Het staat voor een huwbaar jong meisje. Antieke auteurs zoals de Romein Summachus (432-402/3) vertalen het woord in die zin door ‘de jonge vrouw‘. Dit vinden we ook terug op oude joodse grafschriften in Rome. Bij die term werd maagdelijkheid alleen maar verondersteld.

De eerste schrijvers van de antieke christelijke kerkgemeenschappen laten Maria’s naam nog niet vergezeld gaan van het predicaat ‘heilig’. De verering van andere heiligen gaat de hare vooraf, geen kerken of altaren worden ter ere van de Maagd gewijd. Men beeldt haar uitsluitend af in een ondergeschikte positie, met alle aandacht gericht op Christus. Zijn moeder maakt slechts deel uit van het uitbeeldingskader van zijn leven. Soms staat haar naam in teksten als metafoor voor ‘de gemeenschap der gelovigen’, of het ‘Urbild der Kirche‘, en tevens voor de ‘nieuwe (en betere) Eva’. Deze titel werd haar gegeven door de schrijvers Justinus de Martelaar en Irenaeus van Lyon (1), die hiermee Maria een plaats in het heilswerk bezorgden.

2. Van het Concilie van Niceae tot Anselmus van Canterbury

Pas in het begin van de 4de eeuw, tijdens het concilie van Niceae (325), beslissen de aanwezige kerkvaders dat Maria, hoewel moeder zijnde, toch maagd is gebleven tijdens en na het baren van Jezus (2). Siricius van Rome, zowat de eerste bisschop met pauselijke ambities, en de invloedrijke Ambrosius van Milaan veroordelen in 392 en 393 meerdere christelijke denkers tot ketters omdat ze die altijdblijvende maagdelijkheid van Maria verwerpen.

We merken dus dat bepaalde rechtgelovige fundamenten rond Maria ontstaan zijn in die scharnierperiode op het einde van de 4de eeuw, wanneer een centrumstrekking van de christelijke bewegingen de enige toegelaten staatsgodsdienst wordt en alle andere door keizer Theodosius in het Romeinse Rijk worden verboden als ketterijen. Het thema van Maria maakte deel uit van het grotere debat met alle christelijke andersdenkenden, of vanuit een strakker wordend rechtgelovig standpunt, met de ongehoorzamen of ketters.

Het is toch even uitkijken want dit nieuwe idee van de altijddurende maagdelijkheid van Maria heeft in eerste instantie helemaal niets te maken met haar onbevlekte conceptie door haar ouders. In een korte noot van de Dictionnaire de la Bible et des religions du livre (3) staat dat men de onbevlekte ontvangenis van Maria door haar ouders niet mag verwarren met haar maagdelijke conceptie van Jezus, waardoor zijzelf als volwassene vlees zou geven aan de Zoon van God, zonder tussenkomst van een man. In het Oosten noemt men de vroegste gebeurtenis, met Maria als nog te maken foetus, ondubbelzinnig: ‘de ontvangenis van Maria door Anna, de moeder van Maria.’ Met opzet staat Anna’s echtgenoot Joachim niet vermeld in deze omschrijving.

Het Concilie van Efeze in 431 is de eerste mijlpaal in de geschiedenis van de Oosterse mariologie. Voordien ontbrak elke liturgische verering voor haar persoon. Tijdens die kerkelijke vergadering werd patriarch Nestorius (4) veroordeeld omdat hij de nieuwe titel van “Moeder van God” voor Maria overdreven vond en verwierp. Een andere impuls voor het geven van deze en nog andere titels aan Maria was de strijd van de centrumchristenen met concurrerende leringen zoals die van Arius en Pelagius. De zich moeizaam vormende rechtgelovigheid wilde het goddelijke moederschap van Maria benadrukken.

De theologische definitie van Maria wordt vervolgens steeds meer ingezet als propaganda voor de eigen zaak van een specifieke groep christenen met de grote kerkvader Gregorius van Nazianze (5) als protagonist. Toch duurt het nog tot in de 7de eeuw vooraleer we bij enkele Oosterse kerken de eerste uitingen kunnen vaststellen van een aparte cultus rond de conceptie van Maria door haar ouders. Het idee lijkt te zijn ontstaan in kloosters waar de lezing van oude aprocriefe teksten, én tegelijkertijd de productie van nieuwe, een voorname bezigheid was.

Vanaf het einde van de 11de eeuw gaan enkele Engelse theologen zich hiervoor interesseren en het concept verder ontwikkelen, onder meer door de contacten tussen Oost en West tijdens de eerste kruistochten en de stichting van Latijnse Staten in Palestina. Ook in het Westen herontdekt men oudere apocriefe teksten en gaat men nieuwe opstellen. Deze teksten handelen over thema’s die weinig of niet aan de orde komen in de bijbelse geschriften van de canon. Het steeds mondigere grote publiek wil meer lezen over het leven van de bijbelse personages. Dat kan omdat vanaf de 12de eeuw steeds meer geschriften in de volkstaal worden vertaald en gepubliceerd (6). Eindelijk beschikt de leek over boeken die hij zelf kan lezen.

Rond die tijd komen enkele westerse geleerden tot het volgende theologische voorstel. Vanaf de conceptie van Maria, de latere Moeder van Christus, zijn haar ziel en lichaam steeds gevrijwaard gebleven van de oorspronkelijke bezoedeling, of van de erfzonde die wordt doorgegeven tijdens elke menselijke seksuele vereniging en dat sinds de paradijselijke ongehoorzaamheid van Adam en Eva. Dat nieuwe voorrecht voor Maria is een uitzonderlijke gedachte. Buiten Christus had immers geen enkele bijbelse figuur of kerkelijke heilige zoiets toegewezen gekregen.

Dit nieuwe geloofselement heeft geen nieuwtestamentische fundering, en geen enkele antieke kerkvader heeft zich in die zin uitgedrukt. Ook de namen van de ouders van Maria waren lange tijd niet ingevuld. Christelijke werkgroepen in het Oosten probeerden vanaf de 2de eeuw deze vele lacunes in het bijbelse relaas aan te vullen. Daarbij dachten ze vooral aan de periode dat Jezus nog een kind was, en ze vertellen uiteraard ook meer over zijn moeder Maria en haar ouders. Ze schrijven dat de toekomstige ouders van Maria hoogbejaard waren en Anna en Joachim heetten. Zij waren de wanhoop nabij om kinderloos te sterven en vroegen hulp aan God. Bepaalde christelijke teksten beschrijven de conceptie van Maria door haar ouders zonder dat daar een seksuele daad bij nodig was. Niet meer dan een zoen onder een Gouden Poort in een afgesloten tuin (7) was voldoende als bevruchtend element. Na het gebed van Joachim en Anna was dit immers de wil van God, wiens gouden stralen op haar buik schijnen, zoals we dat kunnen zien op middeleeuwse verluchtingen. Men greep hier vooral terug op beweringen uit het proto-evangelie (8) van Jakobus, dat als doel had het maagdelijke leven van Maria te propageren.

Wanneer deze apocriefe teksten in het middeleeuwse Westen in omloop komen, blijven de klerken voorzichtig om ernaar te verwijzen  in hun sermoenen want ze lopen het risico om van ketterij te worden beticht. Bovendien is de leer van de onbevlekte ontvangenis van Maria moeilijk te harmoniseren met uitspraken van Aurelius Augustinus, de bibliografische en canonieke autoriteit in de middeleeuwen. Deze antieke kerkvader had geen enkele uitzondering willen maken met betrekking tot de erfzonde, en dus ook niet voor de conceptie van Maria.

Enkele middeleeuwse Engelse theologen waren echter minder augustijns geïnspireerd. Benedictijner abten zoals die van Canterbury en van Westminster gaan ijverig aan het rekenen. Ze komen uit op 8 december (9) om daarvan het niet-officiële feest te maken van de conceptie van Maria, of netjes negen maanden voorafgaand aan haar officiëel geboortefeest in september. Een voorname figuur was Eadmer (10), de secretaris en biograaf van Anselmus van Canterbury (11). Eadmer formuleert het beginsel dat Maria ondanks Augustinus’ strengheid toch de grootst mogelijke reinheid van zonde moet gehad hebben die na God’s heiligheid denkbaar was. Bij deze nuchtere geleerden blijft het echter een veronderstelling of een werktheorie, en allerminst een dogma.

We noteren dat Anselmus afkomstig was van Italië. Zijn neef was abt geweest in één van de laatste Grieks-Latijnse kloosters in Rome en had een voorliefde voor mirakelverhalen met Maria in een hoofdrol. Deze familiale connectie lijkt me een bijkomend denkspoor te zijn om de introductie van de oosterse traditie rond Maria in Engelse gebieden en de abdij van Bec te verklaren. Aansluitend bedenkt men als documentatie een mirakelverhaal dat zich afspeelt in de tijd van Willem de Veroveraar om het nieuwe Mariafeest te stimuleren. In dat verhaal smeekt abt Helsin van Ramsay (12) om een goddelijke tussenkomst tijdens een gevaarlijke storm op zee. Een hemelse boodschapper komt hem God’s hulp beloven indien hij het feest van de conceptie van Maria op 8 december zou beginnen vieren. Helsin wordt gered en moet zich daarna aan zijn belofte houden.

3. Van Bernardus van Clairvaux tot Scotus

Rond 1136 willen de kanunniken van het domkapittel in Lyon dat nieuwe Engelse feest bij hen instellen, uit vroomheid, maar tevens om extra inkomsten te verwerven. Ze botsen evenwel op de weerlegging van Bernardus van Clairvaux, op het toppunt van zijn macht. In een brief aan het kapittel verzet hij zich krachtig … tegen de invoering van deze nieuwe viering, dat de kerkelijke ritus niet kent, dat de rede niet goedkeurt en dat de antieke traditie niet aanbeveelt (13).  Bernardus houdt niet van dergelijke vernieuwingen en concludeert: Vermits Maria niet kon worden geheiligd voor haar conceptie omdat ze toen nog niet bestond, en zij evenmin kon worden geheiligd tijdens de daad van de conceptie zelf omdat de (erf)zonde deze daad bevlekt, rest als enige mogelijkheid dat ze pas een heiliging kon verkrijgen in de moederschoot (in utero) van haar moeder en pas na de conceptie. Dit maakte wel haar geboorte heilig, maar niet haar conceptie.  Bovendien staat volgens de abt alleen het roomse kerkinstituut garant voor de rechtgelovigheid, en heeft zij alleen de macht om nieuwe vieringen op de kalender in te voeren, en niet een plaatselijk kapittel. Volgens Bernardus zou het invoeren van plaatselijke tradities op de officiële kerkelijke kalender leiden tot chaos en ketterij. Zijn brief is het begin van een eeuwenlange theologische strijd tussen de voorstanders van de onbevlekte ontvangenis van Maria door haar ouders (de “immaculisten”) en de tegenstanders die dat idee afwijzen, zoals Bernardus zelf (de “maculisten”). Ook Petrus Lombardus (14) stelt dat Maria wel degelijk bij haar conceptie aan de erfzonde onderworpen was geweest.

De polemiek draait om twee hoofdvragen. (A) Hoe kan men dit voorrecht van Maria (haar conceptie zonder erfzonde) aanvaarden zonder enige bijbelse bronning, zonder enige rechtgelovige verhandeling uit de eerste eeuwen en gezien de tegenovergestelde conclusie van Augustinus? (B) Hoe kan men deze uitzondering voor Maria in overeenstemming brengen met het principe van de universele verlossing, zoals verwezenlijkt door “de Christus volgens Paulus”, een verlossing die toch voor iedereen is bedoeld? Of anders gezegd, maken de immaculisten van Maria niet een soort van equivalent van Christus door haar als enige mens te laten ontsnappen aan de bezoedeling van de erfzonde? Maakt men op die manier geen ‘Viervuldigheid’, met een vergoddelijkte Maria naast de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?

Over deze theologische vergoddelijking van Maria moet menige middeleeuwse vrouw ontgoocheld zijn geweest. Zij konden zich immers minder gemakkelijk met haar identificeren. Het verklaart deels de grotere aandacht van de volkse devotie voor de andere Maria’s, waaronder de ‘zondige’ maar zeer menselijke Maria Magdalena. Toch blijven de kunstenaars tijdens de middeleeuwen de Maagd Maria meestal afbeelden als de lieflijke en zorgzame moeder.

De kritiek van Bernardus kost hem een stevige ‘zwarte’ legende die luidt als volgt. Na zijn dood verscheen hij aan een monnik van zijn abdij, helemaal gekleed in het wit, maar met een zwarte vlek op de borst (of later op het voorhoofd). Daarover ondervraagd door de verbaasde monnik antwoordde Bernardus dat de vlek een goddelijk litteken was van zijn uitgeboete zonde omdat hij als mens op aarde niet in de onbevlekte ontvangenis van zijn idool Maria had geloofd (15). Deze legende, waarbij de heilige Bernardus dus eerst na zijn dood in het vagevuur zou hebben verbleven, en daar na boete van idee veranderde over de status van die ontvangenis, werd in allerlei varianten en zelfs gecombineerd met het mirakelverhaal van abt Helsin door de minderbroeders overgenomen en tijdens hun predikingen ingezet als zeer stichtend verhaal. Volgens dit scenario had Bernardus zich bij leven over dit vraagstuk vergist en zodoende gezondigd. In het purgatorium diende hij dat te herstellen met de blijvende zwarte vlek als spiritueel litteken.

In de loop van de 13de eeuw wordt het debat verlegd naar de leslokalen aan de universiteiten zoals die van Parijs. Grote denkers zoals Thomas van Aquino (16), Bonaventura (17) en Alexander van Halès (18) blijven zich met krachtige argumenten verzetten tegen de onbevlektheid van Maria’s conceptie. Zij zeggen dat daarin geloven niet conform is aan de rechtgelovigheid en dus ketterij! Niettemin adopteert de universitaire vereniging van Normandië toch het nieuwe feest in 1266.

In de eerste helft van de 14de eeuw ontpoppen de dominicanen, bij uitstek de behoeders van het dogma en de traditie, zich als felle tegenstanders van de immaculisten. Maar deze krijgen de steun van franciscaanse geleerden zoals Johannes Duns Scotus (19) en Petrus van Auriol (20), die er een verhandeling over schrijft. Scotus voegt een voorname vernieuwing toe aan de bezinning over het vraagstuk. Hij stelt dat, buiten de verlossing door de bevrijding van de erfzonde, nog een andere en hogere vorm van verlossing denkbaar is, namelijk door de vrijwaring van die erfzonde.

4. De overwinning van de immaculisten 

In de tweede helft van de 14de eeuw halen de immaculisten eindelijk de overhand. De universiteit van Parijs en gezaghebbende magisters zoals Pierre d’Ailly en Jean Gerson sluiten zich bij hen aan. Ook de Franse koning gaat zich met de zaak moeien. Karel V was een immaculist en liet over het onderwerp een boek (21) in het Frans schrijven waarin le roi Sage gelooft in de onbevlekte conceptie van Maria door haar ouders.

Toch blijft er kritiek komen. De Aragonese dominicaan Juan van Monzon bestempelt als meester aan de theologische faculteit van Parijs in 1387 het immaculisme als foutief. Koning Karel VI wordt boos en beslist om zijn biechtvaders en legeraalmoezeniers niet langer meer te kiezen uit de dominicanerorde, het einde van een traditie die begonnen was met koning Lodewijk IX de Heilige. De sermoenen van Juan worden door een commissie samengevat in veertien stellingen en vervolgens veroordeeld door de bisschop van Parijs. De dominicaanse geleerde weert zich en mobiliseert achter zich zijn orde waarbij hij beroep doet op de autoriteit van hun grote heilige en theoloog, Thomas van Aquino. Het debat zorgt aan de universiteit voor een hectische periode met bittere weerklanken tot in Wenen.

Het volk weet niet meer wat te denken wanneer het op dezelfde markt een franciscaan hoort prediken dat men moet geloven in de onbevlekte conceptie van Maria, terwijl aan de andere kant van het plein een dominicaanse prediker beweert dat zoiets geloven ketterij is. Aan de Weense universiteit vindt Heinrich von Langenstein het welletjes en hij schrijft rond 1390 een verhandeling tegen de praktijken … van predikers op de daken (22). De zwarte legende van Bernardus met de zondige borstvlek haalt hij onderuit (23).

Terwijl deze strijd tussen voor- en tegenstanders aanhoudt, wordt het feest van 8 december toch overal populair. Zo werd de immaculistische opvatting gangbaar bij de meerderheid van de roomse gelovigen of was dat reeds. De aldus ontstane kloof tusssen de doctrinaire leer en de liturgische praktijk verplichtte de kerkelijke autoriteiten om zich opnieuw over de zaak te buigen en te bescheiden. Tijdens het Concilie van Bazel (1431-1439) vaardigen de vaders na een langdurig debat volgend decreet uit: De … Maagd Maria, moeder van God … is nooit aan de erfzonde onderworpen geweest maar bleef gevrijwaard van alle oorspronkelijke fout … en zij is onbevlekt. Zij bekrachtigen de feestdatum van 8 december. Het immaculistische principe typeren zij als: …een vrome mening … die in overeenstemming is met het katholieke geloof. Toch zat er een theologisch addertje onder het gras want dit concilie van Bazel werd niet door Rome erkend vanwege het lopende schisma met paus Eugenius IV (23), waardoor alle decreten ongeldig waren.

Op het einde van die vijftiende eeuw maken de franciscanen gebruik van het gebrek aan pauselijke ervaring van hun ordegenoot Sixtus IV (25). Zij laten hem het aantal Mariafeesten op de kerkelijke kalender uitbreiden. Zonder veel nadenken keurt hij in twee bullen de cultus van haar onbevlekte ontvangenis goed. Uit het dominicaanse kamp komt protest. Om de vrede te bewaren schrijft de paus snel een derde bul waarin hij zijn christenen verbiedt om over deze geloofszaak een standpunt pro of contra in te nemen. In feite was de gelovige nog steeds vrij om hierover te geloven wat hij wilde.

5. Van het concilie van Trente tot modern dogma

Het Concilie van Trente (1545-1563) zwijgt in alle talen over het thema van de onbevlekte ontvangenis van Maria. De vaders bevestigen slechts het voorstel van Sixtus VI om het feest te laten vieren en tegelijkertijd zijn verbod om erover te discussiëren. In hun decreet over de erfzonde benadrukken zij dat het niet de bedoeling was om daarin vraagstukken over Maria te betrekken. De katholieke theologen waren het immers nog steeds niet met elkaar eens. Ze wilden vermijden dat hun debat voor extra koren op de nieuwe protestantse molen zou zorgen.

Het reformatorische protest tegen de katholieke mariologie was nietttemin zeer fel. Zij wilden niet aanvaarden dat Maria door haar immaculistisch voorrecht naast Christus kwam te staan, en in feite zo tegenover elke gelovige mens. Niet Maria, doch Christus alleen, vertegenwoordigt de gehele mensheid bij God. Dit standpunt leidde volgens Oberman tot een enigszins Marialoos belijden. Uit de cultusplaatsen van de Reformatie verdwenen alleszins haar voorstellingen.

Hiertegen reageerde het roomse kamp met een overcompensatie in de kunst van de Contra-reformatie, meer bekend als de triomfantelijke barok. Regelmatig beeldt men Maria uit zonder het Kind, als de apocalyptische vrouw, en met nadruk op haar onbevlekte ontvangenis. Steeds meer stichtende verhalen (exempla hebben het over de Maagd die straffen uitdeelt aan predikers die haar immaculistisch voorrecht niet willen erkennen, maar ook straffen aan hen die niet willen geloven aan haar onbevlekte ontvangenis, of zelfs aan degenen die het principe onvoldoende verdedigen. De drukkunst wordt ingeschakeld om deze propaganda in vertaling bij het volk te verspreiden.

En zo blijft het nog lang wachten, tot in de helft van de 19de eeuw, op de bul Ineffabilis Deus (25) van de populaire paus Pius IX (26) die erg mariaal was gericht. Hij is het die het geloof in de onbevlekte ontvangenis van Maria door haar ouders als een officiëel dogma instelt. In zijn bul schrijft hij dat haar uitzonderlijke conceptie een zinvolle inschakeling was door een vooruitziende God, die dat deed in functie van haar toekomstig moederschap van Zijn eniggeboren Zoon. Reeds bij het eerste moment van haar ontvangenis in de moederschoot van Anna was Maria door goddelijke genade gevrijwaard van alle besmetting met de erfzonde. Jezus’ kinderliefde (pietas) vrijwaarde zijn Moeder Maria daarna nog meer voor de erfzonde en het bederf van de dood.

Hiermee koppelt de paus twee verschillende concepties aan elkaar: die van Maria door Anna, en die van Jezus door Maria. Het is deze koppeling die de veelvoorkomende verwarring verklaart tussen beide gebeurtenissen, bij de hierover minder goed ingelichte mens van de nieuwe en nieuwste tijd. De middeleeuwer had het daar veel gemakkelijker mee want vragen stellen bij de conceptie van Jezus door Maria, als bevlekt of onbevlekt, is natuurlijk compleet absurd. Jezus is volgens de roomse leer toch God en een seksuele vereniging kwam er bij zijn conceptie door Maria niet aan te pas. Gezien de absolute heiligheid van het Kind was het hoe dan ook onmogelijk om in de roomse leer zijn ontvangenis als zondig te zien.

Een kerkelijke primeur bij de voorbereiding van dit mariaal dogma was een voorafgaand jarenlang onderzoek naar het geloofsgevoelen over deze zaak bij gelovigen en prelaten. Van de 603 ondervraagde bisschoppen stonden er 546 positief tegenover de leer van de onbevlekte ontvangenis. Slechts drie hielden het bij het afwijzende standpunt van Bernardus en andere middeleeuwse geleerden. De rest, toch meer dan 50 bisschoppen, vroeg zich af of hiervoor een dogmaverklaring wel nodig was. De andere dogmaverklaring van Maria’s lichamelijke tenhemelopneming, of hemelvaart met zowel ziel als lichaam, dateert van 1950, en wel door toedoen van paus Pius XII en zijn bul Manificentissimus Deus.

Nabeschouwing 

Bijna onoverbrugbaar breed lijkt de kloof te zijn tussen enerzijds de weinige en eenvoudige citaten over Maria in het Nieuwe Testament en haar bescheiden rol in de primitieve christologie, en anderzijds de dogmatisch vastgelegde devotie sinds de 19de eeuw. Toch heeft een mariologisch doordenken dit mogelijk gemaakt, met een traditie van devotie en liturgie als prikkel en blijvende stimulans.

De hedendaagse heiligheid van Maria werd inderdaad niet formeel en expliciet door de kerken van de eerste eeuwen geleerd. Wellicht werd dat afgeremd door het geloofsgegeven dat Christus ook voor haar was gestorven, en zij bijgevolg zondig moet zijn geweest. Tevens was er het delicate verwijt van de joden, heidenen en ketters tegen een mogelijke vergoddelijking van Maria.

Nog steeds stellen we enige voorzichtigheid vast in de kerkelijke uitspraken over Schriftbewijzen hieromtrent. Ze worden onrechtstreeks en in de indirecte rede gebruikt, waarbij men meer verwijst naar de volkse traditie en de wijsheid van de Heilige Geest. Het is al bij al niet duidelijk waar de echte exegese eindigt en waar de vrome toepassing begint.

In de kerkgeschiedenis zijn geloofselementen rond Maria ook misbruikt als een vorm van uitsluiting. Dat begon reeds in 382 bij de reeds vermelde Gregorius van Nazianze, een cruciale figuur in de prille dogmatische ontwikkeling. Hij schrijft: Indien iemand niet gelooft dat Maria de moeder van God is, dan bevindt hij zich buiten de Godheid (Ep.101). Of anders gezegd: buiten de kerkgemeenschap en dus een ketter.

Tenslotte noteren we dat de antieke en middeleeuwse apocriefe teksten wel degelijk een voorname inbreng in de mariologie hebben gehad. We mogen niet zeggen dat de rechtgelovigheid dit apocriefe materiaal volledig zou hebben genegeerd. De geschiedenis van de onbevlekte ontvangenis van Maria door Anna zou men historisch als ondertitel kunnen geven: van apocrief thema tot modern mariaal dogma. Het standpunt van Bernardus werd door de geschiedenis van de vroomheid overwonnen.

Noten: (1) Irenaeus van Lyon is een christelijke auteur uit de tweede eeuw en heeft het over Maria in zijn Adversus Haereses en Demonstratio Apostolicae. (2) In het Credo staat: …natum ex M. virgine…semper virgo. (3) Dictionnaire de la Bible et des religions du Livre, Turnhout, 1985, p. 227. (4) Nestorius leefde van ca. 382 tot 451 en was patriarch van Constantinopel. Hij gaf de voorkeur aan de benaming Christotokos (’moeder van Christus’). Na zijn afzetting en verbanning leefde hij verder in Egypte. (5) Gregorius van Nazianze leefde van ca. 329 tot 390, en was even bisschop van Constantinopel. (6) Zie V&V, ‘Schrijven in de volkstaal en ketterijen in de 12de eeuw’, in E-magazine n° 21, SAC-Brussel, 2011. (7) Zoals de verluchting geproduceerd in Amiens rond 1430 (N.B.P., nouv. Acq. Lat., ms 3231, fol.103). (8) Proto-evangelium = eerste - goede boodschap. (9) In het Oosten viert men dit feest een dag later op 9 december. (10) Eadmerius Cantuariensis, Tractatus de conceptione sanctae Mariae, Ed. Thuston-Slater, Fribourg, 1904. (11) Anselmus van Canterbury of Bec leefde van 1033 tot 1109. (12) Helsin was abt van Ramsey van 1080 tot 1087. (13) Unde miramur … novam inducendo celebritatem quam ritus Ecclesiae nescit, non probat ratio, non commendat antiquo traditio.  Voor zijn conclusie: zie PL, vol. 182, kol. 335-336. (14) Petrus Lombardus (?-1160), Libri IV Sententiarum, een handboek voor elke student tot in de 16de eeuw. (15) Quia de Dominicae nostrae conceptione scripsi non scribenda, signum purgationis meae maculam in pectore porto... Het verschijnt voor het eerst in een brief van abt Nicolas van St.-Albans aan zijn collega Petrus van Celles, twee benedictijnen die het oneens waren over het voorrecht van Maria en het standpunt van Bernardus. (16) Thomas van Aquino (1225-1274), een Italiaanse dominicaan (vanaf 1244) en een uiterst productieve theoloog, wiens reliekschrijn in Toulouse (Les Jacobins) staat. (17) Bonaventura (1217/18-1274), Italiaanse franciscaan (vanaf 1243) en theoloog. (18) Alexander van Halès (1185-1245), Engelse magister in kunsten en theologie te Parijs. Hij is franciscaan vanaf 1236 en de eerste lesgever van die orde aan de faculteit. Kenner van Aristoteles en Averroës. (19) Scotus: 1266-1308. (20) Petrus van Auriol (1230?-1322), Tractatus de conceptione Beatae Mariae Virginis. (21) Songe du Vergier, van Raoul van Presles (?), en een debat tussen een klerk en een ridder over de relaties tussen koninklijke en kerkelijke machten, gedroomd door de in een wijngaard slapende auteur (droomgenre). (22) …super tecta predicent… (Vat. Cod. Palat., ms 482, fol. 148r-169v). (23) Contra disceptationes et contrarias praedicationes fratrum mendicantium super conceptione beatissime Mariae Virginis et contra maculam sancto Bernardo mendacitger impositam. (24) Pontificaat Eugenius IV: 1431-1447, met Felix V tien jaar als tegenpaus. (25) Pontficaat Sixtus IV: 1471-1484, opdrachtgever van het fresco (Botticelli) in de Sixtijnse kapel, stichter van de Vaticaanse Bibliotheek. (26) 8 december 1854. (27) Pontficaat Pius IX: 1846-1878 !
Bibliografie: C.BALIC, Ioannes Duns Scotus, doctor Immaculatae Conceptionis, Textus auctoris, Rome, 1954 ~~ P.BROWN, The cult of the Saints: Its Rise and Function in Latin christiantity, Chicago, 1981 ~~ R.M.DESSI & M.LAMY, ‘Saint-Bernard et les controverses mariales au Moyen Age’, in Vie et légendes de Saint-Bernard, Commentarii Cistercienses, Cîteaux, 1993 ~~ A.EMMEN, ‘Heinrich von Langenstein und die Diskussion über die Empfängis Marias’, in Theologie in Geschichte und Gegenwart, München, 1957 ~~E.FORUNIE, ‘L’Immaculée Conception de la Vierge’, in Histoire et Images Méd. n° 40, 2011 ~~ D.IOGNA-PRAT & D.RUSSO, Marie, le culte de la Vierge dans la société médiévale, Parijs 1996. ~~ G.JOUASSARD, ‘Marie à travers la Patristique: maternité divine, virginité, sainteté’, in Maria, H.Du Manoir (dir.), vol. 1, 1958 ~~ R.KLEIN, Symmachus, eine tragische Gestalt des ausgehenden Heidentums, W.B., vol. 2, Darmstadt, 1971. ~~ M.LAMY, L’Immaculée Conception, Etapes et enjeux d’une controverse au Moyen Age, Inst. Etud. Augustiniennes, Parijs, 2000. ~~ E.LONGPRE, La vierge immaculée. Histoire et doctrine, Parijs, 1945. ~~ P.ROBERT, ‘L’Immaculée Conception au Moyen Age’, in La Vierge Immaculée, histoire et doctrine, Montréal, 1954. ~~ E.VACANDARD, ‘Les origines de la fête et du dogma de l’Immaculée Conception’, in Revue du Clergé Francais, vol. 42, 1910.  ~~ Y.VAN BUYTEN & W. VANDERZEYPEN, Bernardus van Clairvaux, Castelnaudary, 2008 ~~ Idem: Het verhaal van de Graal, Castelnaudary, 2011, p. 22-29 (’De vele Maria Magdalenas’) ~~ R.ZAVELLONI & E.MATIANI (Ed.), La dottrina mariologica di Giovanni Duns Scoto, Rome, 1987

Geen Reacties »

Nog geen reacties.

RSS feed voor comments op dit bericht. TrackBack URL

Plaats een reactie

U moet ingelogd zijn om te reageren.

Gemaakt met WordPress